woensdag 12 december 2007

Better Safe than Sorry

Een Nederlandse vriendin van mij woont al erg lang in de Verenigde Staten. Ze heeft hier gestudeerd, gewerkt, haar Amerikaanse echtgenoot ontmoet en kinderen gekregen. Toch wil ze terug naar Nederland. De reden is dat ze haar kinderen niet wil zien opgroeien in een `bang land`. Een `bang land`, vraag ik haar, wat bedoel je daar precies mee?

“Toen ik hier net kwam was Amerika een land van stoere mensen, pioniers met lef die durfden te dromen en risico’s te nemen. Dat vond ik spannend en interessant. Maar daarvan is wat mij betreft niets over gebleven. Amerikanen zijn overal bang voor: overvallen, kinderlokkers, terroristen.”

Ze ging verder:

“Nadat mijn kinderen geboren waren, vloog het me aan. Die gigantische verantwoordelijkheid die op mijn schouders rustte. En dat is ook enorm. Maar hier in Amerika worden alle moeders vanaf dat moment alleen maar nog meer bang gemaakt, in plaats van dat je leert om te gaan met die verantwoordelijkheid voor je kinderen.”

Ik begrijp wat ze bedoelt. Het lijkt soms wel alsof kinderen alleen maar wezens zijn om je zorgen over te maken. Een kennis merkte eens op dat baby’s en kinderen in New York op billboards altijd worden afgebeeld met angstige hertenogen, kwetsbaar en bang. Nooit dapper en blij.

De angst voor ziektes staat, denk ik, nummer 1. Zo worden veel moeders het eerste jaar met hun baby verlamd door de angst voor wiegendood. Het idee dat je kindje tijdens de slaap zou kunnen overlijden is natuurlijk een zeer angstaanjagende gedachte. Maar als het ertoe leidt dat jij elke nacht wakker blijft om te horen of je kindje nog ademt, dan klopt er toch iets niet helemaal.
Over het algemeen geldt voor kinderen en ziektes dat elke snotneus van een kind een bezoek aan de kinderarts legitimeert. De kinderartsen werken daar zelf hard aan mee. “Better safe than sorry” is het motto.
Mijn dochter moest naar fysiotherapie volgens de kinderarts. Onzin, oordeelde de orthopeed en de neurochirurg. Waarom wordt het dan toch aangeraden, vroeg ik haar? “Tja, je weet het nooit. Baat het niet, dan schaadt het niet. En je wil toch niet de kans mislopen om je kind de beste start te geven.”. He, wat gemeen! Alsof ik mijn kind die goede start niet zou gunnen door haar fysiotherapie te ontzeggen.
Ook de reclames voor medicijnen of vaccins helpen een handje mee.“A mild cough can become a life threatening disease. Use vaccin X”, daarbij een foto van een hulpeloos hoestende baby. Dergelijke beelden zie je hier overal om je heen.

Een goede tweede is de angst dat je kind door een vreemde wordt meegenomen. Hoewel de risico’s daarop bijzonder klein zijn, worden kinderen hier werkelijk geen microseconde uit het oog verloren, want stel dat net op dat moment een vreemde jouw kind grijpt. “Stranger danger”, heet dat. In de speeltuin in Amsterdam staat op een bordje: “Kinderen moeten worden begeleid door een volwassene”. Hier staat op een bordje in de speeltuin: “No adults without children”. Een subtiel verschil, maar niettemin veelzeggend.

Dan hebben we nog bacteriën, ook geen geringe angstaanjager. Kinderen moeten tig keer per dag hun handen wassen met antibacteriële zeep, leren om in publieke toiletten niets aan te raken (dat is nog een hele kunst, maar het kan) en al hun speelgoed moet regelmatig worden besproeid met een desinfecterende spray. (“because kids and germs go hand in hand”)

Ik kan nog wel even doorgaan: de angst dat kinderen stikken in iets (choking hazard!), de angst voor allergieën, zelfs als de kinderen geen allergie hebben. Sinds kort is er een nieuwe angst bijgekomen: de angst voor speelgoed. Door allerlei “recalls”van populair speelgoed kunnen we niet meer zeker weten of onze kinderen geen loodvergiftiging hebben opgelopen door giftige verf uit een fabriek in China. We moeten dus lijsten bijhouden van teruggeroepen speelgoed en dit speelgoed allemaal per direct uit de speelgoedkast verwijderen.

Misschien kun je het vergelijken met de vliegangst die ik vroeger had. Een psychiater vertelde mij een keer dat vliegangst eigenlijk heel normaal en heel gezond is. Het idee dat je als mens gaat vliegen is namelijk niet gewoon. Bovendien is er een kans (een heel kleine kans, maar toch: een kans) dat het vliegtuig crasht en dat is een angstaanjagende gedachte. Eigenlijk voelt iedereen die angst, maar we hebben besloten om die angst met zijn alleen collectief te ontkennen. Dus gaan we in een vliegtuig boekjes lezen, films kijken en veel eten en drinken, om maar vooral te doen alsof we niet op een duizelingwekkende hoogte vliegen in een apparaat waarvan we niet met 100% zekerheid kunnen zeggen dat het ons veilig thuis gaat brengen. Op die manier kunnen we toch gebruik maken van vliegtuigen zonder verlamd te raken door de angst.

Het lijkt erop dat het hier niemand meer lukt om in een dergelijke gezonde staat van ontkenning terecht te komen. Het lukt niet om een boekje te lezen of een filmpje te kijken in het vliegtuig, maar in plaats daarvan worden de piloot en de stewardessen de hele vlucht door ondervraagd over de toestand van het vliegtuig. “Have a safe flight”. Maar niet bepaald een ontspannen vlucht.

Mijn vriendin ging door:

“Ik ben soms zelfs bang dat het niet goed zou aflopen als ze erachter zouden komen hoe ik mijn kinderen opvoed. Dat ze de politie zouden kunnen bellen en mijn kinderen af kunnen pakken”

Hier moest ik toch even ingrijpen, want ik weet dat ze een goede moeder is en haar kinderen met veel liefde en aandacht opvoedt:”Dat meen je toch niet? Dat kan niet!”

Ze legde me uit dat ze vroeger werkte op een Amerikaans advocatenkantoor dat veel echtscheidingen deed en dat in een dergelijke situatie de meest vreemde dingen tegen je kunnen worden gebruikt. Ook ik zou in een dergelijke situatie onder vuur kunnen komen te staan. Ze speelde advocaat van de duivel:

“Waar was jij vorige week vrijdag? Ik zag je nogal wild dansen met misschien net een wijntje teveel op. (ja, mag het misschien één keertje per jaar? Ik heb toch ook ontspanning nodig?) Waar waren jouw kinderen? Bij de oppas? En hoe weet je dat zij goed voor jouw kinderen zorgt? Wat voor onderzoek heb je gedaan naar haar achtergrond? Stel dat ze niet goed op jouw kinderen let, terwijl jij zo nodig alcohol moet drinken en los moet gaan op de dansvloer, omdat je ontspanning nodig hebt?”

“En je vroeg je toch laatst af waarom er weinig "playdates" bij jou thuis zijn? Kijk maar eens om je heen. De stopcontacten heb je niet afgedekt, terwijl er hier een baby rondkruipt (o ja: dat moest ik nog doen. Heb het ook aldoor zo druk. Ik ga het echt morgen doen!). Overal liggen draden waar baby’s aan kunnen trekken, punten van tafels waar ze hun hoofd aan kunnen stoten. Jouw huis is niet "babyproof". Geen wonder dat je geen "playdates" hier hebt. Stel je voor dat er iets mis gaat? Met je eigen baby? Of met andermans baby? Dan ben jij verantwoordelijk. De moeder die geen tijd had om haar huis babyproof te maken.”

Tja, ik geloof dat ze gelijk heeft. En dat is eigenlijk pas echt angstaanjagend!

maandag 3 december 2007

The Blue Ribbon

Een tijdje geleden vlogen we met het hele gezin naar Nederland. Met twee jonge kinderen een lange vliegreis maken is iets waar niemand naar uitziet. Zo had ik visioenen van verveelde, dreinende, huilende kinderen, met daarnaast totaal machteloze ouders (wij dus), geïrriteerde medepassagiers en (het ergste) keurig verzorgde, jonge stewardessen die “mee denken”. “Ach, gut, arme baby, heb jij honger dan?” Nee, ze heeft net gegeten, ze heeft geen honger. “Ach jongen, jij wil gewoon even slapen, toch?” Nee, dat heeft hij net gedaan en het ziet er niet naar uit dat hij het nog een keer gaat doen. In godsnaam: bemoei je er niet mee!!! Het is zo al erg genoeg.

Maar de werkelijkheid is altijd óf veel erger óf veel minder erg, maar in ieder geval anders dan je had verwacht. In dit geval hadden wij een New Yorkse moeder naast ons zitten met twee jonge kinderen. Precies dezelfde leeftijd als onze kinderen, eentje van 3 en een baby. Vanaf het moment dat we het vliegtuig binnenkwamen, begon ze te praten. Ze praatte met een zachte, zangerige stem waar een eindeloos geduld uit sprak.

Ten eerste praatte ze tegen haar baby, die daarbij een continue stroom van “age-appropriate toys” kreeg aangereikt. Speeltjes die precies goed zijn voor een baby van 3 maanden, omdat ze precies de juiste zintuigen prikkelen en zo de ontwikkeling van de jonge baby op cruciale punten aan- en bijsturen. Mijn baby speelde al een uur met haar handen, totdat de moeder één van haar talloze babyspeeltjes aanbood. “Thank you”, stamelde ik, terwijl ik me realiseerde dat ik eigenlijk geen speelgoed voor mijn baby had ingepakt. Het was een nachtvlucht en ik was er eigenlijk vanuit gegaan dat ze zou gaan slapen...

Als ze niet met haar baby praatte, dan was het met haar zoontje. “You see that other airplane over there? That one looks just like ours. And there they are loading the luggage that all the passengers just dropped off at the check in counter. Remember? The check in counter is where we just left our luggage. And in a couple of minutes we will first go super super super fast and then the airplane will take off and fly, high in the sky. Wow, that is supercool, isn’t it?” Daarna haalde ze een boek te voorschijn, heel toepasselijk: “At the airport” waar ze vervolgens uit ging voorlezen. Onderwijl haalde ze om de zoveel tijd weer een toepasselijk speeltje uit haar tas. De tas leek wel niet leeg te raken, gevuld met een onuitputtelijke hoeveelheid materiaal om de kinderen “engaged” te houden.

Mijn zoontje, J, hing aan haar lippen en zat half bij haar op schoot Dat had gedeeltelijk ook te maken met de biologisch en verantwoorde, maar blijkbaar toch smakelijke snacks, die ze om de vijf minuten uitdeelde. Telkens vroeg ze me of het goed was en ik knikte schaapachtig. Volledig geïntimideerd door dit vertoon van goed doordacht moederschap. Ik had nauwelijks eten meegenomen, wederom omdat ik me had ingesteld op een nachtvlucht met vooral veel slaap. Ik had nog geen enkele speciale uitleg gegeven over het vliegveld, behalve dat we in een vliegtuig naar Nederland gingen. Laat staan dat ik iets had uitgelegd over waar de koffers naar toe gaan, hoe dat allemaal in zijn werk gaat. Laat staan dat ik een boek had gekocht over het vliegveld. Wat een goed idee! In plaats daarvan had ik mijn tijd verdaan met stress over wat me te wachten stond met twee kinderen in het vliegtuig en met gepieker over of we nou wel of niet een portable dvd speler moesten aanschaffen voor J.

Mijn ontzag ging echter binnen een uur over in regelrechte irritatie. Ze bleef maar doorpraten en praten en praten, zelfs toen de kinderen wat mij betreft wel konden gaan slapen. Dan konden wij misschien nog even een film kijken. Zo hield ze ook onze J wakker met haar educatieve gezwam, totdat ik J in het Nederlands dwong om van plek met mij te wisselen, zodat hij niet meer door deze “über-mom” kon worden afgeleid.

Op Manhattan leeft onder veel moeders het idee dat het goed is voor kinderen om voortdurend te communiceren, idealiter met de moeder en anders met hun “caretaker” (lees: nanny). “Is my son/daughter engaged?”, is een veel gehoorde vraag van de moeder aan de nanny. Even niksen is geen optie. Communiceren is leren en leren is waar het allemaal om gaat om een stapje voor te zijn op de rest. Tijd is dus kostbaar. Een zwijgende moeder verdoet haar tijd en verliest een kostbare voorsprong op de andere moeders.

Na de wisseling van plaats lagen onze kinderen binnen vijf minuten te slapen. Heerlijk, even rust! Haar kinderen werden in slaap gepraat en gewiegd, maar wij hadden inmiddels onze koptelefoons op om de film te kunnen volgen en werden gelukkig even niet meer gestoord. Toen iedereen eindelijk lag te slapen kwam de stewardess melden dat er turbulentie was en dat we helaas de wiegjes voor de baby’s moesten inklappen. Even zag ik paniek in de ogen van de moeder: “I just got them to sleep” zei ze smekend, zichtbaar uitgeput. Gelukkig was de turbulentie niet hevig en kregen we gratie.

Toen een paar uur later iedereen wakker werd gemaakt voor ontbijt, pakte ze de draad meteen weer op met haar zoetsappige stemmetje. “Everybody needs to wake up now, because the plane will soon start its landing. And that means that the plane will go slower and slower and then go lower and lower, and that means that....” Aaaahhh! Vlak voor de landing nam ze nog even het afhalen van de bagage door. “All the suitcases will be put on the belt and then all the passengers can take them off the belt. Lot of people have suitcases and most suitcases are black” Waarop J schreeuwde: “We have a black suitcase!!” Ze vervolgde: “ Yes, we have a black suitcase too. But you know what? We put a blue ribbon on our suitcase, so we will always know which one is ours.” Op J’s vraag of wij ook een blue ribbon hadden, antwoordde ik dat wij helaas niet zo slim waren geweest. Wij zouden gewoon onze koffer moeten uitzoeken tussen al die andere zwarte koffers.

De mensen met kinderen verlaten altijd als laatste het vliegtuig. Waardoor ze ook het langste moeten wachten bij de douane en in New York “Immigration”. Maar ja. Je hebt al de zwaarste vlucht gehad, dit kan er ook nog wel bij. Samen met de moeder met de twee kinderen verlieten we dus als laatste het vliegtuig. Enthousiast schreef ze haar naam en adres op een papiertje, waarbij ik beleefd lachte, mijn nummer ook gaf en dacht: wij bellen elkaar nooit.

Een paar uur later zaten we al lang en breed in Amsterdam. De jetlag begon erin te hakken en ik vroeg me af in welke koffer ook alweer onze pyama’s zaten. Toen ik onze zwarte koffer openmaakte, zat ik onhandig te klooien met het slot. Tot ik nog een keer keek en schrok: De blue ribbon. Op onze koffer!

Die arme, georganiseerde moeder was vlak na ons bij de bagageband aangekomen en had daar slechts één zwarte koffer aangetroffen. Die van ons: zonder blue ribbon. Ik stelde me voor hoe ze daar stond: met een jetlag, twee kleine kinderen en de opdracht om ook hier weer verantwoord en verstandig op te reageren. Zonder haar bagage. Vastberaden om rustig te blijven en ondanks alles te blijven communiceren met haar kinderen. Ze had het natuurlijk moeten melden en moeten wachten en vervolgens was ze vertrokken zonder alle babyluiers, potjes, speeltjes, etc. Ik had extreem met haar te doen.

Mijn man ging naar het vliegveld om de koffer met de blue ribbon terug te brengen en onze koffer op te halen. Gelukkig heeft ze me nooit gebeld.

dinsdag 27 november 2007

Give Thanks

Afgelopen week was het hier Thanksgiving. Een fijn feest waar je ook als buitenlander gemakkelijk aan mee kunt doen. Je hoeft geen bepaalde religie aan te hangen en je hoeft geen US patriot te zijn. Eigenlijk hoef je alleen maar kalkoen te eten met familie, wat 92% van de Amerikanen dan ook doet. (Traditie is dat de president elk jaar een aantal kalkoenen gratie verleent. Deze kalkoenen ontsnappen aan de grote slachting en krijgen een luizenleventje op een of andere “farm” in Miami. Waarop een vriendin zei: “I wish our president would start doing that with some people!”)

Dus je krijgt vier dagen vrij om kalkoen te eten met familie? Nee, dat niet alleen natuurlijk. Met Thanksgiving is het tijd voor, de naam zegt het al, “give thanks”. Op school wordt de kinderen geleerd om na te denken waar ze allemaal dankbaar voor kunnen en moeten zijn. Een mooi gegeven, al word ik persoonlijk altijd een beetje moe van die Amerikaanse grijs gedraaide plaat: “I love my family, I love all my friends, I love my dog/cat, I love my little sister, I love my big brother”. En de ouders zich maar verkneukelen over hoe “cute” het allemaal niet is. (Het beeld van Amerikaanse kinderen is dat ze altijd blij zijn in hun volledig roze wereld. Tot de dag aanbreekt waarop ze met een geweer naar school gaan... Maar meer hierover volgende week)

Anyway: give thanks dus. Maar ook: give money! Met Thanksgiving is tevens het officiële “holiday season” aangebroken. Hoogtij voor de benefiet diners, benefiet concerten en alle andere vormen van liefdadigheid. De Amerikaanse overheid mag zuinig zijn met het uitdelen van geld aan goede doelen, maar Amerikanen in het particuliere circuit geven bakken met geld aan liefdadigheid (en doordat deze giften fiscaal aftrekbaar zijn, betaalt de Amerikaanse overheid daar uiteindelijk ook weer aan mee). Niet alleen gaat er via private giften veel geld naar arme, hongerige en zieke mensen; ook worden talloze musea, concertgebouwen, ziekenhuizen, universiteiten en scholen volledig gefinancierd door private giften.

Ik dacht dat het schoolgeld voor ons driejarig zoontje, dat gelijk staat aan een jaar studeren op een topuniversiteit, toch wel voldoende zou zijn om een goede school draaiende te houden. Niets blijkt minder waar. Vanaf de eerste week worden we bestookt met meer of minder directe verzoeken om mee te helpen aan “fundraising” voor de school. Allerlei giften en donaties worden van de ouders verwacht om de school een “topschool” te laten zijn. Het eerste verzoek kwam een paar weken geleden binnen. In het begeleidende, handgeschreven briefje (geschreven door een enthousiaste “volunteer mom”) werd duidelijk gemaakt dat $500 toch wel het minimum was voor deze bijdrage. Hoger mag natuurlijk altijd. Vanaf een bepaald bedrag wordt jouw naam speciaal vermeld in het blaadje van de school. Hoe hoger het bedrag dat je schenkt, hoe hoger de status. Bij een gift van $25,000 mag je als een soort erelid in de “Board of Trustees” van de school.

En zo werkt liefdadigheid dus ook. Liefdadigheid is heel persoonlijk. Niet alleen omdat Amerikanen zich persoonlijk verantwoordelijk voelen voor het leed in de wereld en het aanzien van hun scholen, ziekenhuizen en musea, maar ook omdat er een heel directe link is met macht en status. Niet alleen wil ik dat Central Park mooi blijft, maar nu ik zóveel geef, doe mij dan ook maar een gravure met mijn naam op een bankje in het park. Wel zo leuk voor het nageslacht. Of noem die ziekenhuisvleugel naar mij. Dan kan iedereen zien hoeveel goed ik heb gedaan. En als ik veel geef, word ik lekker uitgenodigd op allerlei fancy feestjes waar ik beroemde mensen kan ontmoeten. Sterker nog: door al mijn giften kan ik misschien zelf ook beroemd worden…

“A benefit is where you get to show off your new dress”, zegt de dertienjarige dochter van één van de hoofdpersonen in het boek “The Good Life” van Jay McInerney. In dit boek wordt de jetset van New York beschreven in de periode vlak na 11 september 2001. Ook hier wordt duidelijk wat een belangrijke rol liefdadigheid speelt in het verkrijgen en behouden van een bepaalde positie in de jetset. (recensie "The Good Life")

Maar is dit erg? Het geld stroomt uiteindelijk wel binnen en gaat naar goede doelen. Mensen worden zich bewust van de noden in de wereld en van hun eigen mogelijkheden om een verschil te maken. Dat is toch mooi?

Ja, aan de ene kant vind ik het mooi dat iedereen hier zo bewust bezig is met “Giving”, zowel van “thanks” als “money”.
Toch voel ik me er ook wat ongemakkelijk bij. Los van de vraag of het geld via de private giften wel altijd zo goed wordt besteed (hoe goed is het doel om de school een “topschool” te laten zijn, als je dit vergelijkt met het doel om de honger in Afrika te bestrijden?), heb ik zelf een ander beeld van liefdadigheid. Een beeld dat liefdadigheid moet zijn ingegeven door de wens om een ander te helpen en niet om je eigen positie te verbeteren. Dat het pas echt chique is om een enorme gift te doen, maar dan anoniem. Dat je beroemdheid niet kan kopen, maar moet verdienen door eigen prestaties. Maar misschien is dit wel heel ouderwets gedacht….

woensdag 21 november 2007

Thanksgiving

Helaas is er deze week geen post ivm de Thanksgiving Holiday. Wel staat er een nieuwe column van mij op www.elsevierjuridisch.nl

donderdag 15 november 2007

Employment at will

Vanaf deze week schrijf ik ook af en toe op de website van Elsevier Juridisch, www.elsevierjuridisch.nl

Voor iedereen die het leuk vindt om eens over een ander onderwerp te lezen: voor mijn column van deze week, ga naar employment at will

dinsdag 13 november 2007

Generation X

Iedere moeder kent wel die lichte (of minder lichte) wrijving met haar eigen moeder over de do’s en don’ts in de opvoeding van de kinderen. “Nee mam, het is NIET goed om een kind de hele nacht te laten brullen, zodat het leert wie de baas is in huis.” Of: “Nee, lollies geef ik NIET als beloning voor een goed rapport” Elke generatie heeft eigen ideeën over hoe kinderen moeten worden opgevoed en het enige dat we zeker weten is dat er over dertig jaar weer anders zal worden gedacht. Dan blijkt opeens uit onderzoek (want alles blijkt altijd uit onderzoek) dat we het nu helemaal verkeerd aanpakken met onze kinderen.

In de jaren negentig werd regelmatig gesproken over mijn generatie als “Generation X”. Het ging dan over twintigers zonder idealen die achter de beeldbuis gekluisterd nergens iets van vonden en met desinteresse en ironie de wereld beschouwden.

Onlangs las ik een boek waarin deze generatie (iedereen geboren ongeveer tussen 1965 en 1978) opnieuw uitgebreid werd beschreven. Het boek ging over marketing aan zeer jonge kinderen, uiteraard met name via marketing aan de ouders. Buy Buy Baby. Generation X heeft nu immers kinderen of begint kinderen te krijgen en daarom is deze groep van groot belang voor de marketing aan zeer jonge kinderen. Als marketeer kun je nooit te vroeg beginnen met consumenten aan je binden. “Cradle to grave marketing” heet dat, zo heb ik net geleerd. De Generation X ouders zijn de sleutel naar deze “cradle to grave marketing”. Vandaar dat marketeers sociologisch, antrolopologisch en andere wetenschappelijk onderzoek gebruiken of laten doen naar deze generatie. Interessant om eens te kijken wat dit onderzoek oplevert.

In Thomas’s boek lees ik:
“Marketers paint a portrait of childhood for that group, the first in which large numbers were raised in daycare (kinderdagverblijven). Forty percent were latchkey kids: those who were not in daycare brought house keys to school so they could open the doors to their empty homes while their parents were at work. And by 1980 one American child in six lived with a single parent – the mother in most cases. Some observers estimate that up to half of the families of Gen-X children divorced. The society in which Gen-X came of age didn’t inspire much hope…it was filled with “racial strife, homelessness, AIDS, fractured families and federal deficits. As a 2004 study of generational differences concluded, “Generation X went through its all-important, formative years as one of the least parented, least nurtured generations in US history….The one activity that united Gen-X children was watching TV”

Dat laatste geldt waarschijnlijk een stuk meer voor de US, maar toch klinkt een groot deel ook mij, opgegroeid in Nederland, bekend in de oren...

Later gaat het over de "Generation X" moeders:

“ Given the bleak portrait of their childhoods, one might expect Gen-X women to be numb and emotionally unavailable as mothers. In fact, the opposite is true. Because they did not have stability as children, marketers observe, stability means a great deal more to the Gen-X mothers now that they have their own families. Indeed, as a group, they do appear more stable than their mothers were: 70 percent are married. But a Gen-X mother is not a true traditionalist. According to market research, getting married is not as important to her as providing a stable household for her children; if she doesn’t meet the right person, she will either defer marriage of will choose to have children on her own”

“Marketers have also learned that Gen-X mothers’ top priority is spending as much time as possible with their kids. …Gen-X mothers do not share with Baby Boomer mothers the imperative to drive hard on the career track. According to WonderGroup’s survey research, 87 percent of Gen-X moms with kids of twelve and under said they would rather stay at home to raise their children than work at an office. If they can afford to, many do just that.”

Dus door massaal thuis te blijven met de kinderen probeert de generatie X moeder het eigen gemis aan huiselijkheid en gezinsleven te compenseren en haar kinderen alles te geven dat ze zelf heeft gemist…….Totdat zij daar dan weer in doordraaft en marketing research over dertig jaar aantoont dat het continu tijd doorbrengen met de kinderen deze nieuwe generatie heeft verstikt, waardoor die kinderen op hun beurt roepen: Kinderen moeten los van de moeder! Nooit meer "Intensive Mothering"! Waarna de moeder van deze nieuwe generatie dit zal proberen te compenseren en haar best zal doen om haar kinderen alles te geven dat ze zelf heeft gemist.

dinsdag 6 november 2007

Let go

J, mijn zoontje, is in september begonnen op school. Hij had het er in het begin moeilijk mee. Na school was hij nukkig, boos en uit zijn humeur. Na een tijdje kwam het hoge woord eruit. (of eigenlijk 1 van de hoge woorden) De jongetjes wilden niet met hem spelen. Ze speelden met power rangers en J wist niets van power rangers. In de winkel stond ik die middag met zo’n power ranger in mijn hand, een soort robot met een wapen. Kopen? Ik wil niet dat hij buiten de boot valt door een over-macrobiotische moeder die zijn weg naar populariteit in de klas afsnijdt. Aan de andere kant vind ik zo’n robot met een pistool wel wat gewelddadig voor een jongetje van drie en een half. Toch niet gedaan, hoewel ik zeker weet dat ik binnen korte tijd overstag ga. We hebben het er wel over gehad. Hoe hij andere spelletjes zou kunnen voorstellen en dat niet iedereen altijd met je wil spelen en dat dit soms een rotgevoel is. Maar dat hij zelf misschien ook niet altijd met iedereen wil spelen.

Mijn dochtertje T is nog een baby en is deze maand begonnen met drie dagen per week crèche. Als ik wegga, biggelen de tranen over haar wangen en als ik terug kom zegt de leidster: “I think she missed you very much today” Codetaal voor: “She has been crying all day”. Moeilijk, maar het is ook wel weer een eer als het huilen op miraculeuze wijze ophoudt als ik haar optil. Met een klein diertje tegen me aan loop ik naar buiten. Onbeschrijflijk lief.

Wat wil ik ze graag beschermen tegen de wereld. Ik wil de jongetjes in J’s klas bij hun kraag oppakken en ze dwingen om met de liefste jongen van de wereld te gaan spelen (En waarom niet? Dat is toch niet zo moeilijk?). Ik wil het uitschreeuwen tegen de leidsters waarom J nog steeds geen “helper of the day” is geworden, terwijl hij daar al zo lang (10 dagen) op wacht. Ik wil alle moeders en kindjes die J niet uitnodigen op een verjaardag door elkaar rammelen en uitschelden. Ik wil dat iedereen zijn tekeningen mooi vindt.

Ik wil niet dat T op de crèche in een bedje ligt waar ze niet goed kan slapen, of erger nog in een wipstoeltje in slaap valt tussen al het gedruis. Ik wil dat ze de hele dag wordt geknuffeld door de liefste leidster, die uiteraard nooit ziek mag zijn en geen vakantiedagen mag hebben. Ik wil dat nooit een leidster denkt: “daar heb je die huilbaby weer” (maar dat lijkt me ook sterk…) Ik wil dat niemand haar knuffeldoek vergeet of haar speentje.

Iemand zei laatst tegen mij: “It is the hardest thing with children. To let go” En het begint al zo vroeg. De behoefte om je kinderen te beschermen is zo’n intense oerdrang dat het moeilijk is om uit te besteden, omdat je weet dat anderen die oerdrang nooit zullen voelen met jouw kinderen.

De discussie in Nederland over thuisblijfmoeders en parttime werkende moeders wordt zo eendimensionaal en moreel veroordelend gevoerd. Het gaat over de cijfertjes en een sociale plicht om mee te helpen de vergrijzing op te vangen en vrouwen aan de top te krijgen. Natuurlijk wil ik dat vrouwen alle kansen krijgen en dat ze geen strobreed in de weg wordt gelegd om aan de top te komen. Maar de realiteit met kinderen is zoveel meer genuanceerd. Het is het gevecht tussen de oerdrang tot bescherming en de behoefte aan een carrière en dat blijft altijd een wankele balans die bovendien voor iedereen anders is. Deze struggle zou een plek moeten krijgen in de discussie.

Ik geloof dat het goed is voor ouders en ook voor hun kinderen om af en toe de zorg uit te besteden. Maar voor iedereen heeft dit “af en toe” een andere betekenis en ik ken niemand waarbij dat helemaal en altijd van een leien dakje gaat, welke keuze er ook is gemaakt. Omdat dit het moeilijkst is wat er bestaat: To let go.