Ons vakantieoord op een Caribisch eiland was precies zoals we het ons hadden voorgesteld. Een bounty-eiland, “the taste of paradise”, dat soort werk. Beelden van stapels boeken, luieren en sippen aan margarita’s drongen heel even door, maar verdwenen al snel naar de achtergrond toen ik me realiseerde dat ons leven zou bestaan uit het in de gaten houden van drie kinderen die niet kunnen zwemmen. Al liggend aan zwembad of zee. Dat het heerlijke zonnetje in feite de brandende Caribische zon is die een teer kinderhuidje in korte tijd vuurrood kan bakken. Dus petten op, UV-werende badkleertjes aan en continu insmeren met zonnebrand. En opletten, opletten. Gelukkig maar dat we zo gek op ze zijn.
We realiseerden ons ook snel dat we watjes zijn en er niet tegen kunnen als onze kinderen huilen als we voorstellen om ze een middagje af te zetten bij de kidsclub. Het feit dat daar een paar kauwgum kauwende nanny’s tijdschriftjes zit te lezen, hielp niet bepaald mee. Onze kleine M is een baby en, omdat zij nog niet kon protesteren, moest zij er wel een middagje aan geloven. Maar toen ik haar ophaalde en haar paarse, betraande gezichtje zag, waarbij de nanny opmerkte dat ze echt niet de héle middag had gehuild, was voor mij duidelijk dat onze kinderen niet meer zouden worden uitbesteed.
Dit bekende ook dat we de rest van de week probeerden om de verhalen over het geweldige koraalrif en de uitmuntende duik- en snorkelmogelijkheden van dit eiland, halstarrig te negeren. Immers: als een van ons zou gaan, zou de ander met drie kleintjes bij het zwembad zitten. En dat tijdens een vakantie…
Gelukkig was er een speciale boot die je naar het rif kon brengen waardoor je al die prachtige tropische vissen zou kunnen zien zonder zelf onderwater te gaan: de semi-submarine. Een brilante vondst, vond ik zelf. Aangezien kleine M inmiddels een Caribisch buikvirus had opgelopen en mijn man R bovendien nogal gevoelig is voor zeeziekte, besloot ik met vijfjarige J en driejarige T te gaan.
De boot was inderdaad een soort onderzeeer en vooral J was erg uitgelaten over wat voor verhaal dit op school zou opleveren en hoe geweldig zijn vriendjes dit zouden vinden. T had haar slaapje overgeslagen en was te moe, maar toch nog wel in voor dit avontuur. We stapten eerst op de boot en daarna via een smal trapje in de onderzee-cabine van de boot. Het was een soort aquarium, maar dan met het water buiten en wij binnen. De vijftien mensen die aan boord gingen, pasten maar net. Ieder had een klein bankje en een raam links en rechts met water. Mijn hart begon sneller te kloppen, mijn ademhaling werd moeilijk en ik begon te zweten. Ik moest een uur in deze boot zitten. Een claustrofobische nachtmerrie.
De hostess in de boot was wel gewend aan dergelijke reacties en begon direct al mijn angsten te ontzenuwen. De boot voldeed aan veiligheidsstandaard zus en voorschrift zo. Als er water in zou komen, zouden we allemaal genoeg tijd hebben om via het trapje naar boven te komen. In feite was de boot zo veilig dat hij niet kon zinken. “Net als de Titanic!”, riep J enthousiast uit. Ja, net als de Titanic…
Gelukkig kon ik al snel weer ademen, vooral afgeleid door de visjes, zeekomkommers en schildpadden die we zomaar voorbij zagen zwemmen. “Wat mooi he, jongens?”, zei ik. Maar J antwoordde niet meer. Hij was plotseling erg bleekjes geworden en zijn lippen leken wel paars. “Mama, ik heb zo’n pijn in mijn buik”. Zeeziek, net als zijn papa altijd wordt in een boot. “Wanneer mogen we eruit?”, kreunde hij. We waren pas net weg. T was inmiddels op ramkoers. Ze hing zwaar op mijn schoot en trok aan mijn schouders en mijn tas. “Hoe lang gaat dit duren? Een uur? Dat is veeeeeel te lang,” dreinde ze. Onze medepassagiers keken geergerd om.
In de boot zat nog een ander jongetje. We hadden met hem in de auto gezeten naar de haven. Hij was met zijn ouders en ze kwamen uit Arkansas. J had in de auto besloten dat het een goed moment was om de evolutietheorie nog eens door te nemen. Hij praat alleen nog maar Engels, dus ik kon er niet vanaf in het Nederlands, hoewel ik probeerde om dit vermoedelijk religieuze paar niet voor het hoofd te stoten. Ik probeerde er omheen te draaien. “Ach, iedereen denkt anders over hoe de mensen op de aarde zijn gekomen. De meningen zijn verdeeld. We weten het niet zeker.” Dat vond J maar raar. “We do know! You said it yourself. We were monkeys and now we’re humans.”
Het jongetje was geen New Yorkse “spoiled brat”, maar een Amerikaans jongetje dat nog respect (of angst) voelde voor zijn ouders. Hij was jonger dan J, maar kende alle namen van de visjes uit zijn hoofd. Daarbij zei hij voortdurend hoe “awesome” hij deze trip vond. “I knew you would like it, buddy”, zei zijn vader minzaam, begrijpend dat hij zijn zoontje het mooiste kado van zijn leven had gegeven. Het jongetje stelde vragen aan de hostess, zei op de juiste momenten oooh en aaaah bij elke bijzondere vis en eindige elke zin met “thank you”. De hostess constateerde: “wat heb jij een goede manieren!” Op dat moment kukelde T in al haar hangerigheid van haar bankje af en viel nogal hard op haar hoofd. De plotselinge pijn in combinatie met de hangerigheid resulteerde in een enorme huilbui. Dat huilen resoneert nogal als je met vijftien mensen in een aquarium onderwater zit, dus iedereen keek geschrokken om. J was inmiddels, zeeziek en al, met open mond in slaap gevallen en zag er niet bepaald intelligent of charmant uit. De minachting voor ons groeide voelbaar.
Een tijdje later was ook T in slaap gevallen en zat ik met twee slapende kinderen tegen me aan. Een met een bult op haar hoofd en een met een lijkwit gezicht en paarse lippen. Het einde van de trip naderde en het brave jongetje mocht kaarten uitdelen met vissen erop. “Jij mag het doen, omdat jij zulke goede manieren hebt”, zei de hostess verrukt. “Stomme trut”, dacht ik. Nou weten we het wel. Toen we mochten uitstappen, siste ik nog wel in hun oren: “Zeg dankjewel!” En dat zeiden ze uiteindelijk. Zonder enige overtuiging. Want waarom zou je dankjwel moeten zeggen voor een trip in een claustrofobische capsule, waar je buikpijn van krijgt en een bult op je hoofd? Ze waren het er allebei over eens: de vissen op de kaart waren eigenlijk leuker dan de vissen in de zee.
donderdag 8 april 2010
maandag 14 september 2009
Maakt minder geld gelukkig?
De nieuwe consumptiemoraal op Manhattan
“Ik zet wel een lapje op dat gat in zijn broek, hoor. Er is toch niet tegenop te kopen”, hoorde ik een moeder op mijn zoontjes school zeggen. Dit lijkt misschien een doodgewone opmerking, ware het niet dat dergelijk commentaar op deze privéschool aan de Upper West Side bepaald ongebruikelijk is. Een jaar geleden had dezelfde moeder waarschijnlijk eerder verzucht dat ze nu wéér de nanny op pad moest sturen om een nieuwe spijkerbroek van een designer label te halen voor haar zoontje. Zo hoor ik sinds de recessie overal mensen openlijk verkondigen dat ze on a budget zijn. Minder vaak uit eten, minder shoppen, minder uren voor de nanny, minder vakanties, minder dure klasjes voor de kinderen. Op de blog Dating a banker Anonymous (www.dabagirls.com) wisselen vrouwen van Wallstreet bankiers ervaringen uit. Half ironisch, half serieus doen ze hun beklag over geblokkeerde creditcards, geannuleerde vakanties, ruzies met hun F.B.F.’s (“Financial Guy Boyfriends”) en vragen ze zich openlijk af of het eigenlijk nog wel de moeite waard is om te investeren in een dergelijk vriendje. Wat blijft er eigenlijk over van deze mannen als ze geen geld meer in het laatje brengen? Zijn het niet simpelweg nerds die goed kunnen rekenen? Via een codesysteem op de blog van de vrouwen worden signalen van de aandelenmarkt vertaald in relatietaal. Als de Dow meer dan 300 punten valt: code rood, beter een avondje met vriendinnen op stap. Maar op Obama’s inauguratiedag: code groen in het kader van economische hoop. Misschien Japans eten met manlief?
Niet alleen relaties, ook goede doelen lijden onder de recessie. Het meest duidelijk werd dit toen de uitnodigingen voor de jaarlijkse “benefit” van mijn zoontjes school de deur uit waren gegaan (een gala om geld in te zamelen voor schoolbeurzen voor minder fortuinlijke families) Een aantal ouders voelden zich onder druk gezet om naar het gala te komen, terwijl ze het al zo moeilijk hadden met de hand op de knip. Het hoofd van de school realiseerde zich dat het een lastige tijd was voor liefdadigheid, maar vroeg ouders toch met klem te komen: “cause we are all in this together”. Diep beledigd besloten een aantal ouders om geen kaartje te kopen. Een van deze moeders vertrouwde me toe dat ze geen zin had om toe te kijken hoe de filthy rich duizenden dollars zouden bieden voor een door een vierjarige vervaardigd kunstwerkje van ijsstokjes. Overigens stortte dezelfde moeder zich vorig jaar nog met groot enthousiasme op dit gala. Maar ja, toen hoorde ze zelf nog bij die filthy rich en had ze het nog niet zo zwaar.
Het concept “zwaar” is in dit verband natuurlijk uitermate relatief. De echt harde klappen vallen onder de fabrieksmedewerkers in Detroit die hun banen kwijt raken of de illegale immigranten die op de hoek van de straat staan te wachten op werk in de bouw dat niet komt. De rijke gezinnen op Manhattan hebben vaak nog wel reserves: ouders hoeven voorlopig hun skivakanties nog niet af te zeggen, hun apartementen nog niet te verlaten en hun kinderen nog niet naar de publieke school in de buurt te sturen. Toch lijkt iedereen plotseling op een houtje te bijten. Zelfs mensen met een ongewijzigd inkomen schroeven hun consumptie omlaag en proberen aan alle kanten te bezuinigen. Want je weet nooit hoe lang jouw situatie nog veilig is en daarom is het altijd een goed idee om nu al zoveel mogelijk te sparen voor als het noodlot toeslaat. Eigenlijk het omgekeerde van wat Amerikanen de afgelopen decennia hebben gedaan. Want het klinkt wel erg on-Amerikaans om geld te sparen voor het geval dat, en om de creditcard thuis te laten.
Het gekke is dat het soms lijkt alsof de rijke families op Manhattan (althans, degenen die niet serieus in de problemen zitten) de recessie en het beknibbelen op een bepaalde manier bijna leuk vinden. Een New Yorkse vriendin vertrouwde me toe dat ze bepaalde luxe nu veel meer waardeerde dan vroeger. “Als de foie gras je dagelijkse kost is geworden, gaat de glans er snel vanaf. Nu genieten we echt van die goede fles wijn eens in de zoveel tijd.” In een artikel van Shaila Dewan (New York Times, 10 maart 2009) wordt gesteld dat de recessie een nieuwe moraal heeft losgemaakt. Veel mensen hebben het gevoel dat het tijdperk van de excessen is afgelopen en dat ze terug gaan naar de basics, zoals familie, gezondheid en spiritualiteit. Daar hoort een weloverwogen uitgavenbeleid bij. (De serieuze naam van het nieuwe budget van Obama “A New Era of Responsibility” zegt genoeg.) Nu zeggen cynici dat deze plotselinge afkeer van decadentie tijdelijk is en de excessen snel genoeg weer zullen terugkomen als de recessie voorbij is. Toch menen economen dat, hoe langer de recessie aanhoudt, hoe meer waarschijnlijk het is dat mensen permanent hun consumptiepatroon zullen aanpassen. Per slot van rekening heeft de Depressie van de jaren dertig eveneens een lange tijd ervoor gezorgd dat mensen voorzichtig met hun geld omsprongen.
Zou het kunnen zijn dat het beknibbelen in deze tijd rijkere mensen niet ongelukkiger, maar zelfs gelukkiger zou kunnen maken? In het boek “Happiness: lessons from a new science” (2005) vraagt Richard Layard, econoom en specialist op het gebied van gelukstudies, zich af hoe het komt dat westerse samenlevingen sinds de jaren vijftig gestaag rijker zijn geworden, maar het individuele gemiddelde geluk niet is gestegen. Kan hiermee worden aangetoond dat geld inderdaad niet gelukkig maakt? Zo eenvoudig ligt het niet. Tot op zekere hoogte maakt geld wel degelijk gelukkig. Als meer geld ervoor kan zorgen dat je het niet meer koud hebt, geen honger meer hebt, minder ziek bent en meer ruimte hebt om te leven, dan zorgt meer geld wel degelijk voor meer geluk. Maar als deze basisbehoeften eenmaal zijn bevredigd, dan blijkt meer geld mensen inderdaad niet gelukkiger te maken en soms zelfs ongelukkiger. Twee belangrijke factoren spelen hierbij een rol: sociale vergelijking en gewenning.
Een vriendin van mij had het volgende commentaar op de berichten over de kredietcrisis: “Ik ben zo blij dat iedereen nu kredietcrisis heeft. Ik heb die namelijk al jaren!” In haar grapje schuilt een belangrijke waarheid. Layard verwijst naar verschillende studies die aantonen dat het individuele geluk van mensen (zoals ze dit subjectief beleven) daalt als het inkomen van anderen stijgt. Zo zal mijn individuele geluk stijgen als ik 1% meer verdien dan de mensen om me heen, maar het daalt in nog grotere mate (1/3 meer) als de mensen om mij heen 1% meer verdienen dan ik. Dit doet mij denken aan de eindeloze discussies onder vroegere collega’s over uitgekeerde bonussen. “Waarom heeft zij meer gekregen dan ik? Ik heb toch ook heel veel extra tijd gestoken in project X?” De bonus van de ene collega zorgt voor een daling van het geluk van de andere collega’s. Het door mensen gewenste of beoogde inkomen wordt grotendeels bepaald door wat hun referentiegroep, de mensen in hun omgeving, verdient. Als dat inkomen daalt, geeft dat een bepaalde rust. De noodzaak om te concurreren en bij te blijven verdwijnt plotseling. “Je kunt gewoon blijven waar je bent zonder achter te blijven op de anderen”, zo omschrijft Juliet Schor, econoom aan Boston College en schrijfster van verschillende boeken over consumptie, het.
Daarnaast speelt gewenning of “adaptation” in psychologisch jargon, een belangrijke rol. Een levensstandaard is vergelijkbaar met een verslaving aan drugs of alcohol, zo legt Layard uit. Eerst ben je blij met een verhoging van je levensstandaard, maar al snel ben je weer terug op het oude geluksniveau. Je hebt steeds meer nodig om datzelfde geluksniveau te bereiken. Zo kom je terecht op een “hedonic treadmill” die mensen zelfs ongelukkiger kan maken. Hoewel je niet aan alles kunt wennen (Layard noemt bijvoorbeeld extreme geluidsoverlast of de zorg voor iemand met Alzheimer), raken we het meest gemakkelijk gewend aan materiële bezittingen. Dit is dan ook een andere belangrijke reden waarom een hoger inkomen de meeste mensen in de westerse wereld uiteindelijk niet gelukiger maakt. Basisbehoeften zoals het horen bij een groep, het hebben van goede familierelaties en een goede gezondheid, blijken veel belangrijker te zijn voor het geluk van een individu.
Maar waarom zijn we de afgelopen decennia dan toch zo extreem gericht geweest op het verkrijgen van meer geld, terwijl we er niet gelukkiger van werden? Volgens Bill McKibben, schrijver van het boek “Deep Economy” (2007) is het antwoord hierop simpel: we zijn iets blijven doen, omdat het in het verleden heeft gewerkt, terwijl het nu geen effect meer heeft of zelfs schadelijk is. Toen we nog honger hadden en kou leden, maakte meer geld ons echt gelukkiger. Daarom zijn we blijven aannemen dat dit in de toekomst ook zo zal werken. Mensen maken die fout aan de lopende band, aldus Mc Kibben. “Twee bier maakte me blij, dus tien bier zal zorgen dat ik me nog vijf keer zo goed voel”, zo werkt de denkfout.
Daniel Gilbert, professor psychologie aan Harvard, stelt het in zijn boek “Stumbling on Happiness” (2005) iets gecompliceerder: omdat het streven naar meer geld zorgt voor de instandhouding van het economische systeem zelf waarin iedereen streeft naar meer geld, blijft iedereen streven naar meer geld. Hij noemt dit het principe van de “superreplicator”: als mensen iets geloven wat niet waar is (zoals dat geld gelukkig maakt boven een bepaalde ondergrens), maar dit geloof stimuleert wel een stabiele samenleving waarin ditzelfde onjuiste geloof gemakkelijk kan worden doorgegeven, dan zal dit onjuiste geloof in stand blijven. Een soort vicieuze cirkel dus.
De vraag is of de huidige economische crisis zal zorgen voor een fundamentele verandering in het consumptiegdrag van de rijken. Niet alleen doordat ze minder kúnnen kopen, maar wellicht ook doordat ze minder wíllen kopen, nu ze erachter komen dat hun consumptie hen in het verleden in feite niet gelukkig heeft gemaakt. De recessie heeft ongetwijfeld gezorgd voor een daling in het individuele geluk van een flink aantal Amerikanen. Eén blik op het toegenomen aantal zwervers dat hier de afgelopen winter op straat zat te bibberen van de kou, maakt dit hard en pijnlijk duidelijk. Tegelijkertijd lijkt het erop dat een iets kariger en minder decadent leven een hoop mensen op Manhattan best goed zou doen. Als de recessie lang genoeg aanhoudt, zullen de ouders van school dan misschien hun skivakantie opgeven om aan liefdadigheid op het gala te kunnen geven? Zullen de bankiersvrouwen hun blog met decadent geklaag uit de lucht halen en hun prioriteiten werkelijk heroverwegen? En zullen moeders aan de Upper West Side het misschien écht normaal gaan vinden om lapjes op kinderbroeken te naaien? That will be the day…
“Ik zet wel een lapje op dat gat in zijn broek, hoor. Er is toch niet tegenop te kopen”, hoorde ik een moeder op mijn zoontjes school zeggen. Dit lijkt misschien een doodgewone opmerking, ware het niet dat dergelijk commentaar op deze privéschool aan de Upper West Side bepaald ongebruikelijk is. Een jaar geleden had dezelfde moeder waarschijnlijk eerder verzucht dat ze nu wéér de nanny op pad moest sturen om een nieuwe spijkerbroek van een designer label te halen voor haar zoontje. Zo hoor ik sinds de recessie overal mensen openlijk verkondigen dat ze on a budget zijn. Minder vaak uit eten, minder shoppen, minder uren voor de nanny, minder vakanties, minder dure klasjes voor de kinderen. Op de blog Dating a banker Anonymous (www.dabagirls.com) wisselen vrouwen van Wallstreet bankiers ervaringen uit. Half ironisch, half serieus doen ze hun beklag over geblokkeerde creditcards, geannuleerde vakanties, ruzies met hun F.B.F.’s (“Financial Guy Boyfriends”) en vragen ze zich openlijk af of het eigenlijk nog wel de moeite waard is om te investeren in een dergelijk vriendje. Wat blijft er eigenlijk over van deze mannen als ze geen geld meer in het laatje brengen? Zijn het niet simpelweg nerds die goed kunnen rekenen? Via een codesysteem op de blog van de vrouwen worden signalen van de aandelenmarkt vertaald in relatietaal. Als de Dow meer dan 300 punten valt: code rood, beter een avondje met vriendinnen op stap. Maar op Obama’s inauguratiedag: code groen in het kader van economische hoop. Misschien Japans eten met manlief?
Niet alleen relaties, ook goede doelen lijden onder de recessie. Het meest duidelijk werd dit toen de uitnodigingen voor de jaarlijkse “benefit” van mijn zoontjes school de deur uit waren gegaan (een gala om geld in te zamelen voor schoolbeurzen voor minder fortuinlijke families) Een aantal ouders voelden zich onder druk gezet om naar het gala te komen, terwijl ze het al zo moeilijk hadden met de hand op de knip. Het hoofd van de school realiseerde zich dat het een lastige tijd was voor liefdadigheid, maar vroeg ouders toch met klem te komen: “cause we are all in this together”. Diep beledigd besloten een aantal ouders om geen kaartje te kopen. Een van deze moeders vertrouwde me toe dat ze geen zin had om toe te kijken hoe de filthy rich duizenden dollars zouden bieden voor een door een vierjarige vervaardigd kunstwerkje van ijsstokjes. Overigens stortte dezelfde moeder zich vorig jaar nog met groot enthousiasme op dit gala. Maar ja, toen hoorde ze zelf nog bij die filthy rich en had ze het nog niet zo zwaar.
Het concept “zwaar” is in dit verband natuurlijk uitermate relatief. De echt harde klappen vallen onder de fabrieksmedewerkers in Detroit die hun banen kwijt raken of de illegale immigranten die op de hoek van de straat staan te wachten op werk in de bouw dat niet komt. De rijke gezinnen op Manhattan hebben vaak nog wel reserves: ouders hoeven voorlopig hun skivakanties nog niet af te zeggen, hun apartementen nog niet te verlaten en hun kinderen nog niet naar de publieke school in de buurt te sturen. Toch lijkt iedereen plotseling op een houtje te bijten. Zelfs mensen met een ongewijzigd inkomen schroeven hun consumptie omlaag en proberen aan alle kanten te bezuinigen. Want je weet nooit hoe lang jouw situatie nog veilig is en daarom is het altijd een goed idee om nu al zoveel mogelijk te sparen voor als het noodlot toeslaat. Eigenlijk het omgekeerde van wat Amerikanen de afgelopen decennia hebben gedaan. Want het klinkt wel erg on-Amerikaans om geld te sparen voor het geval dat, en om de creditcard thuis te laten.
Het gekke is dat het soms lijkt alsof de rijke families op Manhattan (althans, degenen die niet serieus in de problemen zitten) de recessie en het beknibbelen op een bepaalde manier bijna leuk vinden. Een New Yorkse vriendin vertrouwde me toe dat ze bepaalde luxe nu veel meer waardeerde dan vroeger. “Als de foie gras je dagelijkse kost is geworden, gaat de glans er snel vanaf. Nu genieten we echt van die goede fles wijn eens in de zoveel tijd.” In een artikel van Shaila Dewan (New York Times, 10 maart 2009) wordt gesteld dat de recessie een nieuwe moraal heeft losgemaakt. Veel mensen hebben het gevoel dat het tijdperk van de excessen is afgelopen en dat ze terug gaan naar de basics, zoals familie, gezondheid en spiritualiteit. Daar hoort een weloverwogen uitgavenbeleid bij. (De serieuze naam van het nieuwe budget van Obama “A New Era of Responsibility” zegt genoeg.) Nu zeggen cynici dat deze plotselinge afkeer van decadentie tijdelijk is en de excessen snel genoeg weer zullen terugkomen als de recessie voorbij is. Toch menen economen dat, hoe langer de recessie aanhoudt, hoe meer waarschijnlijk het is dat mensen permanent hun consumptiepatroon zullen aanpassen. Per slot van rekening heeft de Depressie van de jaren dertig eveneens een lange tijd ervoor gezorgd dat mensen voorzichtig met hun geld omsprongen.
Zou het kunnen zijn dat het beknibbelen in deze tijd rijkere mensen niet ongelukkiger, maar zelfs gelukkiger zou kunnen maken? In het boek “Happiness: lessons from a new science” (2005) vraagt Richard Layard, econoom en specialist op het gebied van gelukstudies, zich af hoe het komt dat westerse samenlevingen sinds de jaren vijftig gestaag rijker zijn geworden, maar het individuele gemiddelde geluk niet is gestegen. Kan hiermee worden aangetoond dat geld inderdaad niet gelukkig maakt? Zo eenvoudig ligt het niet. Tot op zekere hoogte maakt geld wel degelijk gelukkig. Als meer geld ervoor kan zorgen dat je het niet meer koud hebt, geen honger meer hebt, minder ziek bent en meer ruimte hebt om te leven, dan zorgt meer geld wel degelijk voor meer geluk. Maar als deze basisbehoeften eenmaal zijn bevredigd, dan blijkt meer geld mensen inderdaad niet gelukkiger te maken en soms zelfs ongelukkiger. Twee belangrijke factoren spelen hierbij een rol: sociale vergelijking en gewenning.
Een vriendin van mij had het volgende commentaar op de berichten over de kredietcrisis: “Ik ben zo blij dat iedereen nu kredietcrisis heeft. Ik heb die namelijk al jaren!” In haar grapje schuilt een belangrijke waarheid. Layard verwijst naar verschillende studies die aantonen dat het individuele geluk van mensen (zoals ze dit subjectief beleven) daalt als het inkomen van anderen stijgt. Zo zal mijn individuele geluk stijgen als ik 1% meer verdien dan de mensen om me heen, maar het daalt in nog grotere mate (1/3 meer) als de mensen om mij heen 1% meer verdienen dan ik. Dit doet mij denken aan de eindeloze discussies onder vroegere collega’s over uitgekeerde bonussen. “Waarom heeft zij meer gekregen dan ik? Ik heb toch ook heel veel extra tijd gestoken in project X?” De bonus van de ene collega zorgt voor een daling van het geluk van de andere collega’s. Het door mensen gewenste of beoogde inkomen wordt grotendeels bepaald door wat hun referentiegroep, de mensen in hun omgeving, verdient. Als dat inkomen daalt, geeft dat een bepaalde rust. De noodzaak om te concurreren en bij te blijven verdwijnt plotseling. “Je kunt gewoon blijven waar je bent zonder achter te blijven op de anderen”, zo omschrijft Juliet Schor, econoom aan Boston College en schrijfster van verschillende boeken over consumptie, het.
Daarnaast speelt gewenning of “adaptation” in psychologisch jargon, een belangrijke rol. Een levensstandaard is vergelijkbaar met een verslaving aan drugs of alcohol, zo legt Layard uit. Eerst ben je blij met een verhoging van je levensstandaard, maar al snel ben je weer terug op het oude geluksniveau. Je hebt steeds meer nodig om datzelfde geluksniveau te bereiken. Zo kom je terecht op een “hedonic treadmill” die mensen zelfs ongelukkiger kan maken. Hoewel je niet aan alles kunt wennen (Layard noemt bijvoorbeeld extreme geluidsoverlast of de zorg voor iemand met Alzheimer), raken we het meest gemakkelijk gewend aan materiële bezittingen. Dit is dan ook een andere belangrijke reden waarom een hoger inkomen de meeste mensen in de westerse wereld uiteindelijk niet gelukiger maakt. Basisbehoeften zoals het horen bij een groep, het hebben van goede familierelaties en een goede gezondheid, blijken veel belangrijker te zijn voor het geluk van een individu.
Maar waarom zijn we de afgelopen decennia dan toch zo extreem gericht geweest op het verkrijgen van meer geld, terwijl we er niet gelukkiger van werden? Volgens Bill McKibben, schrijver van het boek “Deep Economy” (2007) is het antwoord hierop simpel: we zijn iets blijven doen, omdat het in het verleden heeft gewerkt, terwijl het nu geen effect meer heeft of zelfs schadelijk is. Toen we nog honger hadden en kou leden, maakte meer geld ons echt gelukkiger. Daarom zijn we blijven aannemen dat dit in de toekomst ook zo zal werken. Mensen maken die fout aan de lopende band, aldus Mc Kibben. “Twee bier maakte me blij, dus tien bier zal zorgen dat ik me nog vijf keer zo goed voel”, zo werkt de denkfout.
Daniel Gilbert, professor psychologie aan Harvard, stelt het in zijn boek “Stumbling on Happiness” (2005) iets gecompliceerder: omdat het streven naar meer geld zorgt voor de instandhouding van het economische systeem zelf waarin iedereen streeft naar meer geld, blijft iedereen streven naar meer geld. Hij noemt dit het principe van de “superreplicator”: als mensen iets geloven wat niet waar is (zoals dat geld gelukkig maakt boven een bepaalde ondergrens), maar dit geloof stimuleert wel een stabiele samenleving waarin ditzelfde onjuiste geloof gemakkelijk kan worden doorgegeven, dan zal dit onjuiste geloof in stand blijven. Een soort vicieuze cirkel dus.
De vraag is of de huidige economische crisis zal zorgen voor een fundamentele verandering in het consumptiegdrag van de rijken. Niet alleen doordat ze minder kúnnen kopen, maar wellicht ook doordat ze minder wíllen kopen, nu ze erachter komen dat hun consumptie hen in het verleden in feite niet gelukkig heeft gemaakt. De recessie heeft ongetwijfeld gezorgd voor een daling in het individuele geluk van een flink aantal Amerikanen. Eén blik op het toegenomen aantal zwervers dat hier de afgelopen winter op straat zat te bibberen van de kou, maakt dit hard en pijnlijk duidelijk. Tegelijkertijd lijkt het erop dat een iets kariger en minder decadent leven een hoop mensen op Manhattan best goed zou doen. Als de recessie lang genoeg aanhoudt, zullen de ouders van school dan misschien hun skivakantie opgeven om aan liefdadigheid op het gala te kunnen geven? Zullen de bankiersvrouwen hun blog met decadent geklaag uit de lucht halen en hun prioriteiten werkelijk heroverwegen? En zullen moeders aan de Upper West Side het misschien écht normaal gaan vinden om lapjes op kinderbroeken te naaien? That will be the day…
woensdag 8 juli 2009
You forget everything
“Look how tiny she is!!! She is adorable. Oh my God, you forget everything so soon!! ”, roepen moeders als ze mij zien met mijn nieuwe baby. Het klopt dat je het vergeet en dat is maar goed ook.
Gelukkig maar dat je vergeet hoe het voelt om tekort te schieten als het je maar niet lukt je baby te troosten en als ze maar doorhuilt en huilt en huilt. Gelukkig maar dat je vergeet hoe intens slaapgebrek voelt in combinatie met onophoudelijk gehuil (beide overigens officieel erkende martelmethodes, heb ik me laten vertellen) En hoe dit effect nog verder wordt verhoogd door andere kinderen die het hoog tijd vinden voor een potje bingo of die graag zouden willen dat je als monster achter ze aanrent. Niet later, maar NU. Gelukkig vergeet je hoe je continue je baby staat te wiegen, ook als ze in haar wiegje ligt. En hoe pijn in je rug voelt van dit urenlang wiegen. Hoe je gehuil hoort in je hoofd, zelfs als ze vredig ligt te slapen. Hoe je vergeetachtig raakt en verward. “Waarom doe je dat slabbetje bij mij om?”, vraagt mijn vijfjarige J verbaasd. Hoe je soms stiekem denkt: Was het wel zo verstandig, een derde? Wiens idee was dit eigenlijk? Klopt het wat ze zeggen: “Three is the tipping point” Kraamtranen (nee, niet alleen op de vierde dag), borstontsteking, ongewenst kraambezoek, het verdwijnt vreemd genoeg allemaal snel uit je geheugen.
Maar toch vergeet je niet alles. Want totaal onverwacht, als je denkt dat het absolute dieptepunt van de kraamtijd is bereikt, is daar opeens die glimlach. Ze lacht niet alleen met haar mond, maar haar hele gezicht straalt mee. Haar oogjes twinkelen, haar neusje wipt omhoog en het lijkt alsof ze wil zeggen: Dankjewel mama, voor alles. En plotseling is het glashelder: dit is mijn dochter en ik hou van haar. Voor altijd.
Gelukkig maar dat je vergeet hoe het voelt om tekort te schieten als het je maar niet lukt je baby te troosten en als ze maar doorhuilt en huilt en huilt. Gelukkig maar dat je vergeet hoe intens slaapgebrek voelt in combinatie met onophoudelijk gehuil (beide overigens officieel erkende martelmethodes, heb ik me laten vertellen) En hoe dit effect nog verder wordt verhoogd door andere kinderen die het hoog tijd vinden voor een potje bingo of die graag zouden willen dat je als monster achter ze aanrent. Niet later, maar NU. Gelukkig vergeet je hoe je continue je baby staat te wiegen, ook als ze in haar wiegje ligt. En hoe pijn in je rug voelt van dit urenlang wiegen. Hoe je gehuil hoort in je hoofd, zelfs als ze vredig ligt te slapen. Hoe je vergeetachtig raakt en verward. “Waarom doe je dat slabbetje bij mij om?”, vraagt mijn vijfjarige J verbaasd. Hoe je soms stiekem denkt: Was het wel zo verstandig, een derde? Wiens idee was dit eigenlijk? Klopt het wat ze zeggen: “Three is the tipping point” Kraamtranen (nee, niet alleen op de vierde dag), borstontsteking, ongewenst kraambezoek, het verdwijnt vreemd genoeg allemaal snel uit je geheugen.
Maar toch vergeet je niet alles. Want totaal onverwacht, als je denkt dat het absolute dieptepunt van de kraamtijd is bereikt, is daar opeens die glimlach. Ze lacht niet alleen met haar mond, maar haar hele gezicht straalt mee. Haar oogjes twinkelen, haar neusje wipt omhoog en het lijkt alsof ze wil zeggen: Dankjewel mama, voor alles. En plotseling is het glashelder: dit is mijn dochter en ik hou van haar. Voor altijd.
woensdag 1 april 2009
Breast is best
Nu mijn bevalling nadert, herinner ik me opeens weer dat die eerste tijd met een baby hoofdzakelijk bestaat uit voeden. Hoewel ik niet zo'n fan ben van dat continue voeden, ben ik natuurlijk wel overtuigd van alle voordelen voor de baby en dus begaf ik me vorige week met lichte tegenzin naar het borstvoedingsepicentrum van de Upper West Side: een winkel genaamd "Upper Breast Side" waar ik een voedingsbeha ging kopen. Al snel herinner je je dan ook weer dat het niet alleen om zo'n beha gaat, maar dat er tevens talloze accesoires te koop zijn. Denk aan een borstvoedingskussen ("my breast friend" Ja, ik weet het. De humor rond borstvoeding is niet van de allersterkste soort). Of aan een o zo essentiele borstkolf die op het moment zelf puur goud lijkt te produceren, maar waarbij je je een jaar later afvraagt wat al die liters melk nog steeds in je vriezer doen. Of de zalfjes voor je borsten ("do you prefer a sheepmilkcream or would you rather have something plant based?" "Hmmm: how about something that works?") En niet te vergeten de laatste borstvoedingsmode: hemdjes en shirtjes die ervoor zorgen dat je makkelijk maar wel discreet overal te pas en te onpas je borsten tevoorschijn kunt halen om je kindje te voeden. Niet dat er tegen die tijd nog veel gene over is. Als eenmaal de details van de bevalling met jan en alleman zijn besproken en het slaapgebrek maakt dat je moet vechten tegen je eigen verloedering, vind je inmiddels eigenlijk gewoon dat niemand moet zeuren over een beetje zichtbare borst op zijn tijd.
Hoewel natuurlijk alle voordelen van borstvoeding onbetwist zijn, vraag ik me toch af hoe het komt dat de druk om borstvoeding te laten slagen zo ontzettend groot is. "Breast is best" zeggen ze in het ziekenhuis na de bevalling waar je te horen krijgt dat je tenminste een jaar je kindje zelf moet voeden. En als het niet lukt, ga je natuurlijk niet als een slappeling opgeven. Nee, dan ga je dapper naar de lactatiedeskundige die net zo lang met je gaat oefenen tot het allemaal op rolletjes loopt en je je kindje eindelijk de "beste en meest natuurlijke voeding" kunt geven. Een Amerikaanse vriendin, moeder van een tweeling, had op deze manier een jaar in een borstvoedingspraatgroep gezeten bij "Faith, de borstvoedingsgoeroe van Miami" om ervoor te zorgen dat ze haar tweeling zelf kon voeden. Gelukkig oogstte ze veel respect met een tweeling, maar andere vriendinnen van haar kwamen minder goed weg. Zo voelde eentje zich nog steeds schuldig dat het haar niet was gelukt haar tweede kindje zelf te voeden en probeerde ze de poedermelk nooit in publiek te laten zien "since everyone knows it's poison".
Het lijkt erop dat juist de meest intelligente, meest hoog opgeleide vrouwen een halszaak maken van borstvoeding en het borstvoedingsmantra met bijna religieuze overtuiging aan iedereen opleggen. (inclusief aan zichzelf, wat bij falen dan weer leidt tot extreem schuldgevoel) Juist deze vrouwen zijn vaak de meest ambitieuze borstvoeders.
Maar is het misschien niet zo dat het soms ook best zwaar is, die borstvoeding? Dat het niet alleen maar "the most amazing feeling in the world" is, maar dat het je soms ook flink kan belemmeren om te gaan en staan waar je wilt (want na een tijdje borstvoeding wordt een flesje soms moeilijk en kan je de voeding dus eigenlijk nooit meer uitbesteden). Is het niet zo dat sommige vrouwen er uitgeput van raken, zich volledig niet sexy meer voelen en de partners van deze moeders daar misschien ook niet altijd zo van staan te juichen? Misschien zijn deze Olymic level breastfeeders daarom wel zo fanatiek. Want als je af en toe misschien eigenlijk baalt, dan moet je natuurlijk wel heel hard roepen dat het van wereldbelang is.
Maar ja, die geluiden hoor ik maar verdomd weinig. Want wie durft er iets tegenin te brengen? We hebben het allemaal gelezen en gehoord, we weten het toch allemaal: Breast is best!
Hoewel natuurlijk alle voordelen van borstvoeding onbetwist zijn, vraag ik me toch af hoe het komt dat de druk om borstvoeding te laten slagen zo ontzettend groot is. "Breast is best" zeggen ze in het ziekenhuis na de bevalling waar je te horen krijgt dat je tenminste een jaar je kindje zelf moet voeden. En als het niet lukt, ga je natuurlijk niet als een slappeling opgeven. Nee, dan ga je dapper naar de lactatiedeskundige die net zo lang met je gaat oefenen tot het allemaal op rolletjes loopt en je je kindje eindelijk de "beste en meest natuurlijke voeding" kunt geven. Een Amerikaanse vriendin, moeder van een tweeling, had op deze manier een jaar in een borstvoedingspraatgroep gezeten bij "Faith, de borstvoedingsgoeroe van Miami" om ervoor te zorgen dat ze haar tweeling zelf kon voeden. Gelukkig oogstte ze veel respect met een tweeling, maar andere vriendinnen van haar kwamen minder goed weg. Zo voelde eentje zich nog steeds schuldig dat het haar niet was gelukt haar tweede kindje zelf te voeden en probeerde ze de poedermelk nooit in publiek te laten zien "since everyone knows it's poison".
Het lijkt erop dat juist de meest intelligente, meest hoog opgeleide vrouwen een halszaak maken van borstvoeding en het borstvoedingsmantra met bijna religieuze overtuiging aan iedereen opleggen. (inclusief aan zichzelf, wat bij falen dan weer leidt tot extreem schuldgevoel) Juist deze vrouwen zijn vaak de meest ambitieuze borstvoeders.
Maar is het misschien niet zo dat het soms ook best zwaar is, die borstvoeding? Dat het niet alleen maar "the most amazing feeling in the world" is, maar dat het je soms ook flink kan belemmeren om te gaan en staan waar je wilt (want na een tijdje borstvoeding wordt een flesje soms moeilijk en kan je de voeding dus eigenlijk nooit meer uitbesteden). Is het niet zo dat sommige vrouwen er uitgeput van raken, zich volledig niet sexy meer voelen en de partners van deze moeders daar misschien ook niet altijd zo van staan te juichen? Misschien zijn deze Olymic level breastfeeders daarom wel zo fanatiek. Want als je af en toe misschien eigenlijk baalt, dan moet je natuurlijk wel heel hard roepen dat het van wereldbelang is.
Maar ja, die geluiden hoor ik maar verdomd weinig. Want wie durft er iets tegenin te brengen? We hebben het allemaal gelezen en gehoord, we weten het toch allemaal: Breast is best!
donderdag 12 maart 2009
Een jaar lang leven volgens OPRAH
Lees op mijn algemene website het interview met de meest fanatieke Oprah-volgeling ooit. Verschenen in het maartnummer van Opzij
dinsdag 3 februari 2009
Last Child in the Woods
Tijdens een vakantie kwam J uitgelaten aangerend. Hij had iets gezien: "Een animal met heel veel friends!" Het bleek een mierenhoop te zijn die hij had ontdekt. Op dit soort momenten vraag ik me vaak af of het wel goed is dat we in de stad wonen en of we onze kinderen niet meer moeten blootstellen aan de natuur. Hier in New York zien kinderen dieren slechts achter tralies in de dierentuin of opgezet in het museum. Ikzelf ben ook niet bepaald het goede voorbeeld, want als rasecht stadskind zie ik niet snel de voordelen in van "uitwaaien" of "tot jezelf komen in het bos". Maar toch, het blijft knagen. Al dat binnenzitten kan toch niet goed zijn voor kinderen?
Richard Louv, auteur van het boek ‘Last Child in the Woods’ (2008), noemt het ‘nature deficit disorder’, waar volgens hem vooral veel kinderen in deze tijd aan lijden. Kinderen brengen hun zomers niet meer buiten door, maar achter computerschermen of op allerlei educatieve zomerkampen. Dit terwijl onderzoek aantoont dat het blootstellen van kinderen aan de natuur een effectief onderdeel kan zijn van de behandeling van ADHD en andere afwijkingen. “Kinderen zijn de natuur als een abstractie gaan zien en niet meer als een realiteit,” aldus Louv. Ze krijgen de natuur slechts voorgeschoteld als een probleem en niet als een onderdeel van henzelf. Ze worden er dan ook nog maar nauwelijks aan blootgesteld. Hun ouders houden ze liever weg van modder, zand of andere viezigheid, omdat ze panisch zijn voor bacteriën. Dit terwijl uit steeds meer onderzoek blijkt dat het vermijden van bacteriën leidt tot een verminderde weerstand. Verschillend onderzoek naar de zogenaamde ‘hygiëne hypothese’ lijkt een verband te leggen tussen de toename van het aantal ziektes waarbij het immuunsysteem is aangetast, zoals allergieën, astma, multiple sclerose en type 1 diabetes, en de overdaad aan hygiëne waarmee kinderen worden opgevoed, aldus microbioloog en immunoloog Mary Ruebush in haar nieuwe boek ‘Why Dirt Is Good’ (2009) Kijk aan: eindelijk worden mijn lang bestaande vermoedens over het verband tussen de Amerikaanse smetvrees en de epidemie van "the 4A's" (astma, allergie, ADHD en autisme) bevestigd! Lees meer hierover in dit artikel.babies already know
Maar ook geestelijk kunnen kinderen, én volwassenen, lijden aan dit gebrek aan natuur in hun leven. De beroemde bioloog Edward O. Wilson beschreef in zijn boek ‘Biophilia’ (1986) de ingebouwde liefde die we als mensen voelen voor de ons omringende natuur. Wanneer de banden met die natuur worden doorgesneden, slaat die liefde om in angst: biofobie. Mensen die zijn opgegroeid in de stad, zoals ikzelf, schijnen hier vaak aan te lijden. Als ik met mijn gezin ga kamperen in de prachtige ‘wilderness’ van de Verenigde Staten of van Canada, kan ik het inderdaad niet helpen dat ik bang ben voor al dat ‘wildlife’. Bij elk informatiecentrum word ik doodgegooid met verhalen en video’s over beren die er niet voor terugdeinzen je tent in te springen op zoek naar wat eetbaars. Als jij toevallig in die tent ligt, word je natuurlijk niet gespaard. Op sommige campings staan er zelfs electrische hekken om de camping heen om de beren op afstand te houden. Na een aantal dagen te zijn overspoeld met informatie over beren, begin ik me dan altijd af te vragen of het eigenlijk wel zo belangrijk is dat beren tegen uitsterving worden beschermd. Doen die jagers eigenlijk niet iets heel belangrijks: mij verlossen van die griezels? En over "wildlife" gesproken: slangen, spinnen en eigenlijk alle insecten groter dan mieren vind ik ook niet echt boeiend, maar meestal bijzonder hinderlijk en nog vaker ronduit eng. Maar die gevoelens zijn vast niet terecht en zullen te maken hebben met mijn diep gewortelde biofobie...
Nu allerlei kinderziektes worden gelinkt aan het gebrek aan natuur en ook het algemene welzijn en het geluk van mijn kinderen op het spel staat, moet ik er misschien toch aan geloven. Het lijkt erop dat al dat binnenzitten inderdaad niet goed is voor kinderen en dat we er dus op uit moeten! Weg dus met die stadse biofobie, kom maar op met die beren!
Richard Louv, auteur van het boek ‘Last Child in the Woods’ (2008), noemt het ‘nature deficit disorder’, waar volgens hem vooral veel kinderen in deze tijd aan lijden. Kinderen brengen hun zomers niet meer buiten door, maar achter computerschermen of op allerlei educatieve zomerkampen. Dit terwijl onderzoek aantoont dat het blootstellen van kinderen aan de natuur een effectief onderdeel kan zijn van de behandeling van ADHD en andere afwijkingen. “Kinderen zijn de natuur als een abstractie gaan zien en niet meer als een realiteit,” aldus Louv. Ze krijgen de natuur slechts voorgeschoteld als een probleem en niet als een onderdeel van henzelf. Ze worden er dan ook nog maar nauwelijks aan blootgesteld. Hun ouders houden ze liever weg van modder, zand of andere viezigheid, omdat ze panisch zijn voor bacteriën. Dit terwijl uit steeds meer onderzoek blijkt dat het vermijden van bacteriën leidt tot een verminderde weerstand. Verschillend onderzoek naar de zogenaamde ‘hygiëne hypothese’ lijkt een verband te leggen tussen de toename van het aantal ziektes waarbij het immuunsysteem is aangetast, zoals allergieën, astma, multiple sclerose en type 1 diabetes, en de overdaad aan hygiëne waarmee kinderen worden opgevoed, aldus microbioloog en immunoloog Mary Ruebush in haar nieuwe boek ‘Why Dirt Is Good’ (2009) Kijk aan: eindelijk worden mijn lang bestaande vermoedens over het verband tussen de Amerikaanse smetvrees en de epidemie van "the 4A's" (astma, allergie, ADHD en autisme) bevestigd! Lees meer hierover in dit artikel.babies already know
Maar ook geestelijk kunnen kinderen, én volwassenen, lijden aan dit gebrek aan natuur in hun leven. De beroemde bioloog Edward O. Wilson beschreef in zijn boek ‘Biophilia’ (1986) de ingebouwde liefde die we als mensen voelen voor de ons omringende natuur. Wanneer de banden met die natuur worden doorgesneden, slaat die liefde om in angst: biofobie. Mensen die zijn opgegroeid in de stad, zoals ikzelf, schijnen hier vaak aan te lijden. Als ik met mijn gezin ga kamperen in de prachtige ‘wilderness’ van de Verenigde Staten of van Canada, kan ik het inderdaad niet helpen dat ik bang ben voor al dat ‘wildlife’. Bij elk informatiecentrum word ik doodgegooid met verhalen en video’s over beren die er niet voor terugdeinzen je tent in te springen op zoek naar wat eetbaars. Als jij toevallig in die tent ligt, word je natuurlijk niet gespaard. Op sommige campings staan er zelfs electrische hekken om de camping heen om de beren op afstand te houden. Na een aantal dagen te zijn overspoeld met informatie over beren, begin ik me dan altijd af te vragen of het eigenlijk wel zo belangrijk is dat beren tegen uitsterving worden beschermd. Doen die jagers eigenlijk niet iets heel belangrijks: mij verlossen van die griezels? En over "wildlife" gesproken: slangen, spinnen en eigenlijk alle insecten groter dan mieren vind ik ook niet echt boeiend, maar meestal bijzonder hinderlijk en nog vaker ronduit eng. Maar die gevoelens zijn vast niet terecht en zullen te maken hebben met mijn diep gewortelde biofobie...
Nu allerlei kinderziektes worden gelinkt aan het gebrek aan natuur en ook het algemene welzijn en het geluk van mijn kinderen op het spel staat, moet ik er misschien toch aan geloven. Het lijkt erop dat al dat binnenzitten inderdaad niet goed is voor kinderen en dat we er dus op uit moeten! Weg dus met die stadse biofobie, kom maar op met die beren!
vrijdag 9 januari 2009
Get the boys together
J wil graag een playdate met zijn beste vriendje C. Nu ben ik zelf geen fan van playdates, vooral niet van de soort waar de moeder met haar neus bovenop de kinderen zit om met de andere moeder twee uur over basebalklasjes, vioollessen of "summer camps" voor vierjarigen te praten. Maar alas, het gaat hier niet om mij, maar om hem. En J is helemaal stapelgek op C.
Verschillende keren probeer ik de moeder dus te benaderen voor het regelen van een playdate. Op school omarmt ze me en doet ze razend enthousiast ("Sure we should get the boys together soon!"), maar ondertussen negeert ze al mijn emails en telefoontjes. Misschien heeft zij er ook geen zin in. Heel begrijpelijk en misschien een reden om het erbij te laten zitten? Maar als J me dan weer aankijkt met verwachtingvolle ogen en vraagt wanneer we naar C's huis zullen gaan, moet ik mijn eigen gene opzij zetten en daar ga ik weer. "I would love to get them together", schrijf ik in mijn laatste mail en eindelijk hapt ze toe. De playdate is afgesproken.
Op de dag van de playdate loop ik naar school en kom ik haar al eerder op straat tegen. Ze moet zich verontschuldigen, want haar oudere stiefdochter komt vandaag en daarom moet ze meteen naar huis met C. Ze was het helemaal vergeten ("So sorry!") en vraagt zich af of het ook op een andere dag kan. Geen probleem joh, zeg ik genereus, omdat ik ergens diep in mijn hart wel begrip heb voor dergelijke smoesjes om onder iets uit te komen waar je geen zin in hebt.
Nadat ik J uit school heb gehaald, gaan we een kopje koffie drinken bij een Frans bakkertje om de hoek. Het is nog vroeg en kleine T is waarschijnlijk nog midden in haar slaapje op de creche, dus is het handiger om haar iets later op te halen. Terwijl we koffie en appelsap drinken, zie ik plotseling een andere moeder een grote hoeveelheid koffie, appelsap en broodjes afrekenen. Naast haar staan twee jongetjes uit J's klas. J herkent ze meteen: het zijn het zoontje van deze moeder met.....C!!! De moeder van C staat zelf buiten te wachten.
"Hoe kan dat nou?", vraagt J verbaasd. Maar alles is mij direct duidelijk en bijna stikkend van ingehouden woede vraag ik de moeder: "Hebben jullie een playdate?". Dat beaamt ze. Ze gaan naar het park en nietsvermoedend vraagt ze me nog of we misschien mee willen gaan. "No thank you, we are terribly busy this afternoon", lieg ik.
C heeft een playdate met een ander jongetje: niet met zijn beste vriendje J, maar met het zoontje van zijn mama's beste vriendinnetje op school. De mama van C had meer zin in deze mama dan in mij en daarom heeft ze een leugentje verzonnen voor deze middag.
Opeens word ik tien jaar en denk ik: zij willen met elkaar spelen en ik mag er niet bij. Ze vinden elkaar aardiger dan mij. Mijn hoofd wordt er rood van. Het komt natuurlijk omdat ik Nederlands ben, ik zal er wel nooit bij horen. Zo gaat de maalstroom verder in allerlei sombere richtingen, nog verder versterkt door een zwaar verhoogde emotionele toestand in verband met mijn zwangerschap. Met andere woorden: opeens kan ik wel huilen.
Maar J is er ook nog en hij begrijpt het simpelweg niet. "Maar wij hadden toch een playdate met C, mama?" Ik leg uit dat het op een andere dag is en dat we nu lieve T gaan ophalen. Verdrietig bedenk ik me dat hij snel genoeg ook kennis zal maken met de wereld van vriendjes, vriendinnetjes, jaloezie, anderen buitensluiten, etc. Gelukkig is het nog even niet zover.
De volgende week krijg ik een mailtje van de moeder van C. "When shall we get the boys together? J is such a sweet kid. I love it that they are so close". "Fuck you", denk ik en ik schrijf terug:"This Wednesday should be fine"
Verschillende keren probeer ik de moeder dus te benaderen voor het regelen van een playdate. Op school omarmt ze me en doet ze razend enthousiast ("Sure we should get the boys together soon!"), maar ondertussen negeert ze al mijn emails en telefoontjes. Misschien heeft zij er ook geen zin in. Heel begrijpelijk en misschien een reden om het erbij te laten zitten? Maar als J me dan weer aankijkt met verwachtingvolle ogen en vraagt wanneer we naar C's huis zullen gaan, moet ik mijn eigen gene opzij zetten en daar ga ik weer. "I would love to get them together", schrijf ik in mijn laatste mail en eindelijk hapt ze toe. De playdate is afgesproken.
Op de dag van de playdate loop ik naar school en kom ik haar al eerder op straat tegen. Ze moet zich verontschuldigen, want haar oudere stiefdochter komt vandaag en daarom moet ze meteen naar huis met C. Ze was het helemaal vergeten ("So sorry!") en vraagt zich af of het ook op een andere dag kan. Geen probleem joh, zeg ik genereus, omdat ik ergens diep in mijn hart wel begrip heb voor dergelijke smoesjes om onder iets uit te komen waar je geen zin in hebt.
Nadat ik J uit school heb gehaald, gaan we een kopje koffie drinken bij een Frans bakkertje om de hoek. Het is nog vroeg en kleine T is waarschijnlijk nog midden in haar slaapje op de creche, dus is het handiger om haar iets later op te halen. Terwijl we koffie en appelsap drinken, zie ik plotseling een andere moeder een grote hoeveelheid koffie, appelsap en broodjes afrekenen. Naast haar staan twee jongetjes uit J's klas. J herkent ze meteen: het zijn het zoontje van deze moeder met.....C!!! De moeder van C staat zelf buiten te wachten.
"Hoe kan dat nou?", vraagt J verbaasd. Maar alles is mij direct duidelijk en bijna stikkend van ingehouden woede vraag ik de moeder: "Hebben jullie een playdate?". Dat beaamt ze. Ze gaan naar het park en nietsvermoedend vraagt ze me nog of we misschien mee willen gaan. "No thank you, we are terribly busy this afternoon", lieg ik.
C heeft een playdate met een ander jongetje: niet met zijn beste vriendje J, maar met het zoontje van zijn mama's beste vriendinnetje op school. De mama van C had meer zin in deze mama dan in mij en daarom heeft ze een leugentje verzonnen voor deze middag.
Opeens word ik tien jaar en denk ik: zij willen met elkaar spelen en ik mag er niet bij. Ze vinden elkaar aardiger dan mij. Mijn hoofd wordt er rood van. Het komt natuurlijk omdat ik Nederlands ben, ik zal er wel nooit bij horen. Zo gaat de maalstroom verder in allerlei sombere richtingen, nog verder versterkt door een zwaar verhoogde emotionele toestand in verband met mijn zwangerschap. Met andere woorden: opeens kan ik wel huilen.
Maar J is er ook nog en hij begrijpt het simpelweg niet. "Maar wij hadden toch een playdate met C, mama?" Ik leg uit dat het op een andere dag is en dat we nu lieve T gaan ophalen. Verdrietig bedenk ik me dat hij snel genoeg ook kennis zal maken met de wereld van vriendjes, vriendinnetjes, jaloezie, anderen buitensluiten, etc. Gelukkig is het nog even niet zover.
De volgende week krijg ik een mailtje van de moeder van C. "When shall we get the boys together? J is such a sweet kid. I love it that they are so close". "Fuck you", denk ik en ik schrijf terug:"This Wednesday should be fine"
maandag 5 januari 2009
De tweede mama
Gepubliceerd in Kerstspecial 2008 van de Groene Amsterdammer
Op Manhattan hebben de meeste gezinnen een kindermeisje. Zo kan moeder werken, en kan de meestal ongeschoolde ‘nanny’ haar eigen kinderen onderhouden. Sanne Bloemink, woonachtig op Manhattan, vraagt zich af of dit een goed idee is.
Met een derde op komst krijg ik hier in New York van andere ouders de meest uiteenlopende adviezen. Hoewel op Manhattan drie kinderen de nieuwe trend lijkt te zijn (“3 is the new 2!”), zijn de blikken in de regel toch lichtelijk bezorgd. Want het is misschien leuk om een groot gezin te hebben, maar drie kinderen is het tipping point, heb ik nu al een aantal keren gehoord. Nu zal het echt gedaan zijn met de tijd voor mezelf en zal ik ten onder gaan in het kindergeweld, zo wordt mij voorgehouden. Hoe ga ik dat allemaal aanpakken? Ik wil toch ook werken? En mijn partner heeft toch ook een fulltime baan? Maar vooral, de hamvraag: hoe wil ik het hoofd boven water houden zonder nanny?
Hier aan de Upper West Side van Manhattan, waar ik woon, is de nanny een vast onderdeel van het gezinsleven met jonge kinderen. Mijn zoontje vroeg laatst zelfs aan mij of hij niet even thuis kon blijven met de nanny. Waarop ik hem eraan moest herinneren dat dit niet kon, omdat wij geen nanny hebben. Dat was hij even vergeten. Bij zijn vriendjes en vriendinnetjes is in de regel immers altijd een nanny beschikbaar. Gaat het hier om allemaal bekakte Manhattan families? Tja, ze zijn er natuurlijk wel: de extreem rijke en verwende thuisblijfmoeders die de nanny hebben ingehuurd om toe te komen aan hun broodnodige me-time: in de sportschool, in de spa, voor de talloze liefdadigheids-bijeenkomsten, en natuurlijk gewoon om héél vaak te lunchen (waarbij overigens lunch meer een schuilnaam is voor bijkletsen of roddelen, want er wordt natuurlijk niet echt gegeten; hooguit misschien wat geknabbeld aan een worteltje of een stengeltje bleekselderij). Deze moeders besteden soms meer tijd aan hun werkzaamheden als vrijwilliger voor de oudervereniging van school dan aan hun eigen kind.
Maar in steeds meer gezinnen in New York is de nanny simpelweg de enige manier waarop beide ouders hun in de regel fulltime baan kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Kinderdagverblijven zijn er wel, maar hebben een slechte reputatie en zijn bovendien niet flexibel genoeg om tegemoet te komen aan lange werkdagen. Om half zes je pen laten vallen om je kind uit de crèche te halen is voor veel werknemers geen optie. In die zin dat ze daadwerkelijk hun baan erdoor zouden kunnen verliezen. In de huidige recessie is de druk op mensen die hun banen nog vast weten te houden alleen maar groter aan het worden. Ik spreek ouders die voorlopig niet meer op vakantie gaan, omdat ze bang zijn dat hun werkplek er na terugkomst niet meer zal zijn. Survival of the fittest en winner takes all gelden nu sterker dan ooit tevoren. De nanny biedt ouders de flexibiliteit om daarmee om te gaan. En is bovendien goedkoper dan het kinderdagverblijf als je meer dan één kind hebt.
Ook voor ons zou een nanny veel voordelen bieden. De laatste weken hebben we daarom zo nu en dan eens laten vallen dat we op zoek zijn naar een nanny. Van alle kanten krijgen we nu tips en adviezen. Iedereen is het daarbij over één ding eens: een nanny is like family. Het is een waar opbieden van verhalen over hoe warm en intens de relatie is met de nanny. Waarbij de ondertoon vaak is: wij zijn zό´n leuk gezin, we zijn zό goed voor onze nanny, en onze nanny is zό dol op onze kinderen. Ze zou al dat werk bij wijze van spreken ook gratis voor ons doen. Wat uiteraard nooit het geval is.
Maar feit blijft dat de kinderen meestal enorm gehecht raken aan hun nanny en omgekeerd. Een zeer intieme band die inderdaad kan voelen als een familieband. Soms leidt deze band tot jaloezie van de moeder die voelt dat zij niet meer de kapitein is op het schip van haar gezin. Sommige moeders rouleren om die reden zelfs elk half jaar hun nanny in de hoop dat het kind niet teveel aan haar gehecht raakt. Afschuwelijk voor de kinderen en voor de nanny, maar ook een teken dat het niet altijd even gemakkelijk is voor moeders om zoveel zorg aan een andere vrouw uit te besteden. Voor de moeders die hetl lukt om over hun jaloezie heen te stappen, kan de nanny echter een enorme hulp betekenen en juist vanwege die band met haar kinderen ook voor haar een soort familielid worden. Veel New Yorkse families helpen hun nanny dan ook op allerlei vlakken: met het over laten komen van eigen kinderen uit het land van herkomst, met het bemachtigen van de juiste visa, met een ziektekostenverzekering. De familieliefde blijkt ook vaak uit de e-mails die worden rondgestuurd door moeders wier kinderen te groot zijn geworden voor de nanny: die willen er werkelijk alles aan doen om een goede nieuwe werkplek voor de meest geweldige nanny ter wereld te vinden.
Maar haar positie is niet alleen tijdelijk, die is ook afhankelijk van economische omstandigheden. In de huidige tijd van economische crisis is de nanny of de babysitter een van de eerste posten waarop wordt bezuinigd. Zeker als een van de ouders plotseling werkloos is geworden. Bij de school van mijn zoontje staan de laatste tijd opvallend veel vaders om hun kind uit school te halen: voormalige Wall Street bankiers die plotseling noodgedwongen stay home dad zijn geworden. De nanny is uiteraard de eerste die moet gaan in dat geval. Logisch natuurlijk, maar niet bepaald in overeenstemming met de eerder verkondigde zoetsappige familiegedachte. Like family? Toch niet helemaal blijkbaar. De laatste tijd tref je dan ook overal handgeschreven briefjes van nanny’s die wanhopig zoeken naar werk.
Er is altijd al een groot aanbod geweest van nanny’s en ander huishoudelijk personeel in New York: ongeschoolde, allochtone vrouwen die in de westerse wereld op zoek zijn naar betere economische omstandigheden voor zichzelf en hun eigen familie. 95 procent van hen is afkomstig uit derdewereldlanden en werkt hier, al dan niet met verblijfsvergunning, om familie hier of in het land van herkomst te onderhouden. Het is een onderdeel van de steeds verder toenemende wereldwijde zorgmigratie van de Derde naar de Eerste wereld. Vraag en aanbod sluiten blijkbaar mooi op elkaar aan. De vrouw uit de Derde wereld verbetert haar economische positie en de vrouw in de Eerste wereld kan haar carrière vervolgen naast de fulltime baan van haar partner.
Toch blijft het een raar gezicht hier aan de Upper West Side: Filippijnse, Caribische en Zuid-Amerikaanse vrouwen die snacks uitdelen aan de kinderen in het park, die rolstoelen duwen en bejaarden ondersteunen bij het lopen, de appartementen schoonmaken. Hoeveel er op school ook mag worden gehamerd op het belang van culturele diversiteit, hoeveel er ook wordt gejubeld over Obama, in de praktijk zien kinderen hier vooral donkere vrouwen in de rol van verzorgsters. Een vijfjarig Nederlands meisje, op bezoek in New York, vroeg hoe het kwam dat alle witte kindjes hier bruine mama’s hadden.
Voor de kinderen mag de nanny als een tweede moeder voelen, het feit dat de nanny ook nog een eigen familie heeft is in de regel volledig ondergeschikt aan de belangen van haar werkgever. Zo sprak ik een violiste die naar eigen zeggen de beste nanny ter wereld had. “We love her!” Er was wel enige onderhandeling over haar werkuren aan vooraf gegaan, begreep ik. Deze nanny wilde namelijk om vijf uur naar huis om haar eigen kind uit het kinderdagverblijf in Brooklyn te kunnen halen, maar dat was voor deze moeder onbespreekbaar. “Van vijf tot zeven is het spitsuur en ik heb graag dat ze mij helpt met eten koken en mijn drie kinderen in bad doen. Als ze om vijf uur weggaat, moet ik dat allemaal zelf doen!” Dit had als gevolg dat het dochtertje van deze nanny in een soort verlengde opvang moest en de nanny haar daar elke dag om acht uur ’s avonds slapend kon komen ophalen. “Ik geef haar eens per maand een dagje om vijf uur vrij, hoor”, zei de moeder nog vergoelijkend toen ze mijn blik vol medeleven met de nanny bespeurde.
Nog tragischer wordt het als de kinderen van hun moeder gescheiden leven in het land van herkomst. Ook dit komt dikwijls voor. Nanny’s die de kinderen aan de Upper West Side dagelijks verzorgen, terwijl ze hun eigen kinderen gruwelijk missen en proberen op te voeden via de mobiele telefoon.
In de documentaire When Mother Comes home for Christmas van Nilita Vacchani is te zien hoe een moeder na tien jaar teruggaat naar haar drie kinderen in Sri Lanka, waar haar zoon, inmiddels twaalf jaar oud, haar niet meer herkent en haar onhandig omhelst. Ze brengen een emotionele en intense kerst door, waarbij de moeder probeert grip op haar kinderen te krijgen en ze op het juiste spoor te leiden, terwijl ze voortdurend hun woede voelt om het feit dat ze hen heeft verlaten. Na drie weken gaat ze weer terug naar Athene om geld te verdienen in haar “gezin”. Haar kinderen leiden een relatief goed bestaan op Sri Lanka dankzij haar maandelijkse bijdragen en het lijkt dan ook voor iedereen beter dat ze weer gaat dan dat ze blijft. Het afscheid is gevuld met tranen.
Economisch is het begrijpelijk dat het gezin van de werkgever vόόrgaat. Die betaalt immers voor de diensten van de nanny en daar leven dan weer hele families van. Bovendien zijn zorgtaken al eeuwenlang economisch gezien laag gewaardeerd en worden ze dus eerder verricht door ongeschoolde of minder geschoolde werknemers. Mannen hebben zich al nooit veel bekommerd om zorgtaken en richten zich van oudsher op een carrière buitenshuis. Nu vrouwen ook de werkvloer hebben veroverd, moeten zij noodzakelijkerwijs de zorg voor hun kinderen uitbesteden. De nanny, die meer kan verdienen in de westerse wereld, besteedt op haar beurt de zorg voor háár kinderen uit aan een oma, een tante of een ander familielid. Er wordt wel eens romantisch gedaan over hoe in dergelijke communautaire gemeenschappen de overige familieleden geruisloos de zorg voor de kinderen overnemen, maar de moeder blijft toch de moeder en reken maar dat haar kinderen haar missen en zij hen. Zo lijkt het alsof de hete aardappel van de zorg wordt doorgegeven aan de vrouw met de minste opleiding en de meest kwetsbare positie.
Ik vraag me af welke boodschap ik mijn kinderen met een nanny meegeef. Laat ik ze zien dat het belangrijk is dat hun moeder zich ontplooit en bijdraagt aan het gezinsinkomen of is het eerder zo dat ze leren dat zorg iets is waar iedereen het liefst vanaf wil?
Op Manhattan hebben de meeste gezinnen een kindermeisje. Zo kan moeder werken, en kan de meestal ongeschoolde ‘nanny’ haar eigen kinderen onderhouden. Sanne Bloemink, woonachtig op Manhattan, vraagt zich af of dit een goed idee is.
Met een derde op komst krijg ik hier in New York van andere ouders de meest uiteenlopende adviezen. Hoewel op Manhattan drie kinderen de nieuwe trend lijkt te zijn (“3 is the new 2!”), zijn de blikken in de regel toch lichtelijk bezorgd. Want het is misschien leuk om een groot gezin te hebben, maar drie kinderen is het tipping point, heb ik nu al een aantal keren gehoord. Nu zal het echt gedaan zijn met de tijd voor mezelf en zal ik ten onder gaan in het kindergeweld, zo wordt mij voorgehouden. Hoe ga ik dat allemaal aanpakken? Ik wil toch ook werken? En mijn partner heeft toch ook een fulltime baan? Maar vooral, de hamvraag: hoe wil ik het hoofd boven water houden zonder nanny?
Hier aan de Upper West Side van Manhattan, waar ik woon, is de nanny een vast onderdeel van het gezinsleven met jonge kinderen. Mijn zoontje vroeg laatst zelfs aan mij of hij niet even thuis kon blijven met de nanny. Waarop ik hem eraan moest herinneren dat dit niet kon, omdat wij geen nanny hebben. Dat was hij even vergeten. Bij zijn vriendjes en vriendinnetjes is in de regel immers altijd een nanny beschikbaar. Gaat het hier om allemaal bekakte Manhattan families? Tja, ze zijn er natuurlijk wel: de extreem rijke en verwende thuisblijfmoeders die de nanny hebben ingehuurd om toe te komen aan hun broodnodige me-time: in de sportschool, in de spa, voor de talloze liefdadigheids-bijeenkomsten, en natuurlijk gewoon om héél vaak te lunchen (waarbij overigens lunch meer een schuilnaam is voor bijkletsen of roddelen, want er wordt natuurlijk niet echt gegeten; hooguit misschien wat geknabbeld aan een worteltje of een stengeltje bleekselderij). Deze moeders besteden soms meer tijd aan hun werkzaamheden als vrijwilliger voor de oudervereniging van school dan aan hun eigen kind.
Maar in steeds meer gezinnen in New York is de nanny simpelweg de enige manier waarop beide ouders hun in de regel fulltime baan kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Kinderdagverblijven zijn er wel, maar hebben een slechte reputatie en zijn bovendien niet flexibel genoeg om tegemoet te komen aan lange werkdagen. Om half zes je pen laten vallen om je kind uit de crèche te halen is voor veel werknemers geen optie. In die zin dat ze daadwerkelijk hun baan erdoor zouden kunnen verliezen. In de huidige recessie is de druk op mensen die hun banen nog vast weten te houden alleen maar groter aan het worden. Ik spreek ouders die voorlopig niet meer op vakantie gaan, omdat ze bang zijn dat hun werkplek er na terugkomst niet meer zal zijn. Survival of the fittest en winner takes all gelden nu sterker dan ooit tevoren. De nanny biedt ouders de flexibiliteit om daarmee om te gaan. En is bovendien goedkoper dan het kinderdagverblijf als je meer dan één kind hebt.
Ook voor ons zou een nanny veel voordelen bieden. De laatste weken hebben we daarom zo nu en dan eens laten vallen dat we op zoek zijn naar een nanny. Van alle kanten krijgen we nu tips en adviezen. Iedereen is het daarbij over één ding eens: een nanny is like family. Het is een waar opbieden van verhalen over hoe warm en intens de relatie is met de nanny. Waarbij de ondertoon vaak is: wij zijn zό´n leuk gezin, we zijn zό goed voor onze nanny, en onze nanny is zό dol op onze kinderen. Ze zou al dat werk bij wijze van spreken ook gratis voor ons doen. Wat uiteraard nooit het geval is.
Maar feit blijft dat de kinderen meestal enorm gehecht raken aan hun nanny en omgekeerd. Een zeer intieme band die inderdaad kan voelen als een familieband. Soms leidt deze band tot jaloezie van de moeder die voelt dat zij niet meer de kapitein is op het schip van haar gezin. Sommige moeders rouleren om die reden zelfs elk half jaar hun nanny in de hoop dat het kind niet teveel aan haar gehecht raakt. Afschuwelijk voor de kinderen en voor de nanny, maar ook een teken dat het niet altijd even gemakkelijk is voor moeders om zoveel zorg aan een andere vrouw uit te besteden. Voor de moeders die hetl lukt om over hun jaloezie heen te stappen, kan de nanny echter een enorme hulp betekenen en juist vanwege die band met haar kinderen ook voor haar een soort familielid worden. Veel New Yorkse families helpen hun nanny dan ook op allerlei vlakken: met het over laten komen van eigen kinderen uit het land van herkomst, met het bemachtigen van de juiste visa, met een ziektekostenverzekering. De familieliefde blijkt ook vaak uit de e-mails die worden rondgestuurd door moeders wier kinderen te groot zijn geworden voor de nanny: die willen er werkelijk alles aan doen om een goede nieuwe werkplek voor de meest geweldige nanny ter wereld te vinden.
Maar haar positie is niet alleen tijdelijk, die is ook afhankelijk van economische omstandigheden. In de huidige tijd van economische crisis is de nanny of de babysitter een van de eerste posten waarop wordt bezuinigd. Zeker als een van de ouders plotseling werkloos is geworden. Bij de school van mijn zoontje staan de laatste tijd opvallend veel vaders om hun kind uit school te halen: voormalige Wall Street bankiers die plotseling noodgedwongen stay home dad zijn geworden. De nanny is uiteraard de eerste die moet gaan in dat geval. Logisch natuurlijk, maar niet bepaald in overeenstemming met de eerder verkondigde zoetsappige familiegedachte. Like family? Toch niet helemaal blijkbaar. De laatste tijd tref je dan ook overal handgeschreven briefjes van nanny’s die wanhopig zoeken naar werk.
Er is altijd al een groot aanbod geweest van nanny’s en ander huishoudelijk personeel in New York: ongeschoolde, allochtone vrouwen die in de westerse wereld op zoek zijn naar betere economische omstandigheden voor zichzelf en hun eigen familie. 95 procent van hen is afkomstig uit derdewereldlanden en werkt hier, al dan niet met verblijfsvergunning, om familie hier of in het land van herkomst te onderhouden. Het is een onderdeel van de steeds verder toenemende wereldwijde zorgmigratie van de Derde naar de Eerste wereld. Vraag en aanbod sluiten blijkbaar mooi op elkaar aan. De vrouw uit de Derde wereld verbetert haar economische positie en de vrouw in de Eerste wereld kan haar carrière vervolgen naast de fulltime baan van haar partner.
Toch blijft het een raar gezicht hier aan de Upper West Side: Filippijnse, Caribische en Zuid-Amerikaanse vrouwen die snacks uitdelen aan de kinderen in het park, die rolstoelen duwen en bejaarden ondersteunen bij het lopen, de appartementen schoonmaken. Hoeveel er op school ook mag worden gehamerd op het belang van culturele diversiteit, hoeveel er ook wordt gejubeld over Obama, in de praktijk zien kinderen hier vooral donkere vrouwen in de rol van verzorgsters. Een vijfjarig Nederlands meisje, op bezoek in New York, vroeg hoe het kwam dat alle witte kindjes hier bruine mama’s hadden.
Voor de kinderen mag de nanny als een tweede moeder voelen, het feit dat de nanny ook nog een eigen familie heeft is in de regel volledig ondergeschikt aan de belangen van haar werkgever. Zo sprak ik een violiste die naar eigen zeggen de beste nanny ter wereld had. “We love her!” Er was wel enige onderhandeling over haar werkuren aan vooraf gegaan, begreep ik. Deze nanny wilde namelijk om vijf uur naar huis om haar eigen kind uit het kinderdagverblijf in Brooklyn te kunnen halen, maar dat was voor deze moeder onbespreekbaar. “Van vijf tot zeven is het spitsuur en ik heb graag dat ze mij helpt met eten koken en mijn drie kinderen in bad doen. Als ze om vijf uur weggaat, moet ik dat allemaal zelf doen!” Dit had als gevolg dat het dochtertje van deze nanny in een soort verlengde opvang moest en de nanny haar daar elke dag om acht uur ’s avonds slapend kon komen ophalen. “Ik geef haar eens per maand een dagje om vijf uur vrij, hoor”, zei de moeder nog vergoelijkend toen ze mijn blik vol medeleven met de nanny bespeurde.
Nog tragischer wordt het als de kinderen van hun moeder gescheiden leven in het land van herkomst. Ook dit komt dikwijls voor. Nanny’s die de kinderen aan de Upper West Side dagelijks verzorgen, terwijl ze hun eigen kinderen gruwelijk missen en proberen op te voeden via de mobiele telefoon.
In de documentaire When Mother Comes home for Christmas van Nilita Vacchani is te zien hoe een moeder na tien jaar teruggaat naar haar drie kinderen in Sri Lanka, waar haar zoon, inmiddels twaalf jaar oud, haar niet meer herkent en haar onhandig omhelst. Ze brengen een emotionele en intense kerst door, waarbij de moeder probeert grip op haar kinderen te krijgen en ze op het juiste spoor te leiden, terwijl ze voortdurend hun woede voelt om het feit dat ze hen heeft verlaten. Na drie weken gaat ze weer terug naar Athene om geld te verdienen in haar “gezin”. Haar kinderen leiden een relatief goed bestaan op Sri Lanka dankzij haar maandelijkse bijdragen en het lijkt dan ook voor iedereen beter dat ze weer gaat dan dat ze blijft. Het afscheid is gevuld met tranen.
Economisch is het begrijpelijk dat het gezin van de werkgever vόόrgaat. Die betaalt immers voor de diensten van de nanny en daar leven dan weer hele families van. Bovendien zijn zorgtaken al eeuwenlang economisch gezien laag gewaardeerd en worden ze dus eerder verricht door ongeschoolde of minder geschoolde werknemers. Mannen hebben zich al nooit veel bekommerd om zorgtaken en richten zich van oudsher op een carrière buitenshuis. Nu vrouwen ook de werkvloer hebben veroverd, moeten zij noodzakelijkerwijs de zorg voor hun kinderen uitbesteden. De nanny, die meer kan verdienen in de westerse wereld, besteedt op haar beurt de zorg voor háár kinderen uit aan een oma, een tante of een ander familielid. Er wordt wel eens romantisch gedaan over hoe in dergelijke communautaire gemeenschappen de overige familieleden geruisloos de zorg voor de kinderen overnemen, maar de moeder blijft toch de moeder en reken maar dat haar kinderen haar missen en zij hen. Zo lijkt het alsof de hete aardappel van de zorg wordt doorgegeven aan de vrouw met de minste opleiding en de meest kwetsbare positie.
Ik vraag me af welke boodschap ik mijn kinderen met een nanny meegeef. Laat ik ze zien dat het belangrijk is dat hun moeder zich ontplooit en bijdraagt aan het gezinsinkomen of is het eerder zo dat ze leren dat zorg iets is waar iedereen het liefst vanaf wil?
dinsdag 16 december 2008
Nieuwe website
Als je even geen zin hebt om iets over moeders of kinderen te lezen: ga naar mijn nieuwe site sanne bloemink
Op deze site schrijf ik van nu af aan meer algemene stukken over het leven in New York.
Op deze site schrijf ik van nu af aan meer algemene stukken over het leven in New York.
vrijdag 5 december 2008
Sports and genetics
Sinds kort is het mogelijk om je kind genetisch te laten testen op aangeboren sporttalent. Voor welke sporten heeft jouw kind aanleg en voor welke sporten totaal niet. Toch handig om te weten of de voetbalclub weggegooid geld is, of juist het begin van een leven als topvoetballer. Want iedereen begrijpt: om gewoon lol hebben gaat het natuurlijk allang niet meer.
In dit artikel in de New York Times wordt opvallend genoeg met name ingegaan op de vraag hoe betrouwbaar de test is en niet op de vraag hoe wenselijk het is om kinderen aan dergelijke testen te onderwerpen. Zo'n test lijkt me echt iets voor de New Yorkse hypermama...
artikel genetische test sporttalent kinderen.
In dit artikel in de New York Times wordt opvallend genoeg met name ingegaan op de vraag hoe betrouwbaar de test is en niet op de vraag hoe wenselijk het is om kinderen aan dergelijke testen te onderwerpen. Zo'n test lijkt me echt iets voor de New Yorkse hypermama...
artikel genetische test sporttalent kinderen.
dinsdag 2 december 2008
Outerspace
Vroeg of laat wordt iedere ouder geconfronteerd met de vraag der vragen: “Mama, wat is dood? Ga ik ook dood? En jij? Wanneer ga jij dood?” Het liefst zou je natuurlijk willen zeggen dat dit allemaal maar een verzinsel is, net als monsters en trollen, en dat dit alleen voorkomt in boeken en films. Dat we gewoon voor altijd gezellig bij elkaar zullen blijven en dat hij zich dus nergens zorgen over hoeft te maken. Maar ja, helaas…
Dus begin ik braaf te vertellen dat mensen oud worden en dan niet meer verder kunnen en ook vaak niet meer willen leven. “Dus alleen als ze heel erg oud zijn?” Dit neemt zichtbaar de grootste urgentie van het probleem weg. Waarop ik toch moet toegeven dat het heel soms zelfs kan gebeuren als mensen nog niet zo oud zijn. Ik zie de verschrikte blik in zijn ogen en wilde dat ik het terug kon nemen. Mijn eigen vader vertelde mij ooit dat iedereen onder de achttien jaar niet dood kon gaan. Een keiharde leugen die mij toch zo’n jaar of tien vrij succesvol van het onderwerp af heeft gehouden. Had ik dat misschien beter kunnen zeggen?
Nog moeilijker wordt het wanneer hij er met klem op aandringt dat de details van de dood door mij worden ingevuld. Het onderwerp God en de hemel komt in dit verband eerst, want daar heeft hij op school iets over gehoord. Op dit moment zou ik er een miljoen voor geven om gelovig te zijn en een knus verhaal te kunnen vertellen over de hemel, waar alles geschilderd is in mooie kleuren, en waar iedereen elkaar na de dood weer terugziet. In plaats daarvan kan ik alleen maar stamelen dat je er niet meer bent, als je dood bent. Ik begrijp dat het een enorm teleurstellend antwoord is. Ikzelf kan er al niets mee, laat staan mijn vierjarige J. “Als je er niet meer bent, dan moet je dus heel ver weg zijn, misschien wel in…“outerspace””, zegt hij samenzweerderig. Okay, vooruit. Ik zeg het gewoon: “Ja, misschien wel in outerspace, dat weten we niet. Dat zou kunnen, lief” Voorlopig is hij hier even tevreden mee en vijf minuten later meldt hij: “Mama, het is niet erg als jij doodgaat. Want dan ben je in outerspace en dan bouw ik een rocketship en kom ik je daar gewoon ophalen!” Hij kijkt ontzettend blij en ik laat het zo.
Dus begin ik braaf te vertellen dat mensen oud worden en dan niet meer verder kunnen en ook vaak niet meer willen leven. “Dus alleen als ze heel erg oud zijn?” Dit neemt zichtbaar de grootste urgentie van het probleem weg. Waarop ik toch moet toegeven dat het heel soms zelfs kan gebeuren als mensen nog niet zo oud zijn. Ik zie de verschrikte blik in zijn ogen en wilde dat ik het terug kon nemen. Mijn eigen vader vertelde mij ooit dat iedereen onder de achttien jaar niet dood kon gaan. Een keiharde leugen die mij toch zo’n jaar of tien vrij succesvol van het onderwerp af heeft gehouden. Had ik dat misschien beter kunnen zeggen?
Nog moeilijker wordt het wanneer hij er met klem op aandringt dat de details van de dood door mij worden ingevuld. Het onderwerp God en de hemel komt in dit verband eerst, want daar heeft hij op school iets over gehoord. Op dit moment zou ik er een miljoen voor geven om gelovig te zijn en een knus verhaal te kunnen vertellen over de hemel, waar alles geschilderd is in mooie kleuren, en waar iedereen elkaar na de dood weer terugziet. In plaats daarvan kan ik alleen maar stamelen dat je er niet meer bent, als je dood bent. Ik begrijp dat het een enorm teleurstellend antwoord is. Ikzelf kan er al niets mee, laat staan mijn vierjarige J. “Als je er niet meer bent, dan moet je dus heel ver weg zijn, misschien wel in…“outerspace””, zegt hij samenzweerderig. Okay, vooruit. Ik zeg het gewoon: “Ja, misschien wel in outerspace, dat weten we niet. Dat zou kunnen, lief” Voorlopig is hij hier even tevreden mee en vijf minuten later meldt hij: “Mama, het is niet erg als jij doodgaat. Want dan ben je in outerspace en dan bouw ik een rocketship en kom ik je daar gewoon ophalen!” Hij kijkt ontzettend blij en ik laat het zo.
woensdag 29 oktober 2008
A Father's Job is never Done
De eerste reacties op mijn boek "Hypermama" komen binnen en opvallend is hoe veel moeders vinden dat de vaders nu maar eens in actie moeten komen. Waarom staat er geen hyperpapa naast de hypermama? Helemaal mee eens natuurlijk; de hamvraag is alleen: hoe kunnen vaders meer betrokken raken bij huishouden en kinderen? Al jaren roept men braaf dat vaders meer zorg- en opvoedtaken op zich moeten nemen, maar als puntje bij paaltje komt, verandert er maar weinig.
Een begin zou in ieder geval kunnen worden gemaakt in de politiek. Op vaderdag riep Obama bijvoorbeeld alle vaders op om hun opvoedtaak serieus te gaan nemen. speech Obama Met name African-American vaders moesten volgens hem nu eindelijk eens met hun kinderen aan de slag. Zijn aanval op deze "fathers AWOL" (away without leaving) werd in sommige African-American kringen niet bepaald gewaardeerd, maar grote groepen waren het roerend met hem eens. De afwezigheid van vaders, in letterlijke of figuurlijke zin, is een van de grootste problemen van de Verenigde Staten. Daarbij moeten vaders volgens Obama beginnen om kritisch naar zichzelf te kijken, waarbij ze zouden kunnen worden ondersteund door bepaalde overheidsmaatregelen. In New York is onlangs bijvoorbeeld het NYC Dads program gestart, dat oa bestaat uit opvoedcursussen voor vaders en een uitgebreide reclamecampagne met adviezen voor vaders. NYC Dads De posters hangen nu door de hele stad. "Be a role model". "Kiss and hug" of "Listen". Vrijwel alle vadermodellen op de posters zijn zwart. Het is begrijpelijk, omdat in de African-American gemeenschap de afwezigheid van vaders wel heel erg urgent is, maar het maakt het voor blanke vaders ook makkelijk om zich niet aangesproken te voelen. Terwijl deze adviezen ook aan hen welbesteed zijn. Al die rijke Manhattan papa's zouden ook wel eens wat meer tijd met hun kinderen mogen doorbrengen. Toch lijkt de praktijk zoveel weerbarstiger.
In mijn boek ga ik in op de druk waaronder vaders dikwijls staan: de druk om maatschappelijk te presteren, de druk om een zo hoog mogelijk consumptieniveau voor het gezin te garanderen, de druk om een échte vent te zijn die financieel voor zijn gezin zorgt. Want naast de moederideologie is er net zo goed een vaderideologie. Een ideologie die vaders voorschrijft dat, hoewel je misschien heel hip met je baby in een draagzak door het Vondelpark mag struinen, je tegelijkertijd wél moet zorgen voor dat mooie huis met aparte slaapkamers voor de kinderen, voor die auto voor de deur en voor de jaarlijkse zomervakantie en soms ook nog wintersport.
Vaders én moeders zijn in veel gevallen niet bereid om écht een stapje terug te doen om vaders meer thuis te kunnen laten zijn. Want als een enkele hyperpapa écht moeite doet, kan hij vast wel vier dagen werken. Punt is alleen dat hij in veel werkkringen dan minder serieus wordt genomen, minder kansen op promotie heeft, hij zich daardoor wellicht een mindere kerel voelt, en dat moeders daardoor uiteindelijk vaak ook niet blijven aandringen. Bovendien willen ze allebei wél nog elk jaar op vakantie.
Daar komt bij dat moeders het vaak maar wat moeilijk vinden om echt taken over te dragen. Als papa met de kinderen naar de dierentuin gaat, blijft mama checken of de kinderjassen wel warm genoeg zijn, of hij de juiste billendoekjes in de luiertas heeft gestopt of dat genoeg poedermelk is ingepakt. Hij krijgt niet eens de kans om fouten te maken (en daar van te leren), want zij houdt de controle. Dat begint vaak in de babyjaren en wordt daarna een leidraad voor later. Belangrijk dus voor vaders en moeders om daar vanaf het begin op te letten en bewust een poging te doen om niet in een automatische rolverdeling te vervallen.
Ten slotte lijken mij die adviezen op de posters een goed begin. Obama riep dat sommige vaders dachten dat hun rol na de conceptie was uitgespeeld, maar eerder zou het net zo moeten zijn als de moederbaan. Zoals één van de posters zegt: "A father's job is never done".
Een begin zou in ieder geval kunnen worden gemaakt in de politiek. Op vaderdag riep Obama bijvoorbeeld alle vaders op om hun opvoedtaak serieus te gaan nemen. speech Obama Met name African-American vaders moesten volgens hem nu eindelijk eens met hun kinderen aan de slag. Zijn aanval op deze "fathers AWOL" (away without leaving) werd in sommige African-American kringen niet bepaald gewaardeerd, maar grote groepen waren het roerend met hem eens. De afwezigheid van vaders, in letterlijke of figuurlijke zin, is een van de grootste problemen van de Verenigde Staten. Daarbij moeten vaders volgens Obama beginnen om kritisch naar zichzelf te kijken, waarbij ze zouden kunnen worden ondersteund door bepaalde overheidsmaatregelen. In New York is onlangs bijvoorbeeld het NYC Dads program gestart, dat oa bestaat uit opvoedcursussen voor vaders en een uitgebreide reclamecampagne met adviezen voor vaders. NYC Dads De posters hangen nu door de hele stad. "Be a role model". "Kiss and hug" of "Listen". Vrijwel alle vadermodellen op de posters zijn zwart. Het is begrijpelijk, omdat in de African-American gemeenschap de afwezigheid van vaders wel heel erg urgent is, maar het maakt het voor blanke vaders ook makkelijk om zich niet aangesproken te voelen. Terwijl deze adviezen ook aan hen welbesteed zijn. Al die rijke Manhattan papa's zouden ook wel eens wat meer tijd met hun kinderen mogen doorbrengen. Toch lijkt de praktijk zoveel weerbarstiger.
In mijn boek ga ik in op de druk waaronder vaders dikwijls staan: de druk om maatschappelijk te presteren, de druk om een zo hoog mogelijk consumptieniveau voor het gezin te garanderen, de druk om een échte vent te zijn die financieel voor zijn gezin zorgt. Want naast de moederideologie is er net zo goed een vaderideologie. Een ideologie die vaders voorschrijft dat, hoewel je misschien heel hip met je baby in een draagzak door het Vondelpark mag struinen, je tegelijkertijd wél moet zorgen voor dat mooie huis met aparte slaapkamers voor de kinderen, voor die auto voor de deur en voor de jaarlijkse zomervakantie en soms ook nog wintersport.
Vaders én moeders zijn in veel gevallen niet bereid om écht een stapje terug te doen om vaders meer thuis te kunnen laten zijn. Want als een enkele hyperpapa écht moeite doet, kan hij vast wel vier dagen werken. Punt is alleen dat hij in veel werkkringen dan minder serieus wordt genomen, minder kansen op promotie heeft, hij zich daardoor wellicht een mindere kerel voelt, en dat moeders daardoor uiteindelijk vaak ook niet blijven aandringen. Bovendien willen ze allebei wél nog elk jaar op vakantie.
Daar komt bij dat moeders het vaak maar wat moeilijk vinden om echt taken over te dragen. Als papa met de kinderen naar de dierentuin gaat, blijft mama checken of de kinderjassen wel warm genoeg zijn, of hij de juiste billendoekjes in de luiertas heeft gestopt of dat genoeg poedermelk is ingepakt. Hij krijgt niet eens de kans om fouten te maken (en daar van te leren), want zij houdt de controle. Dat begint vaak in de babyjaren en wordt daarna een leidraad voor later. Belangrijk dus voor vaders en moeders om daar vanaf het begin op te letten en bewust een poging te doen om niet in een automatische rolverdeling te vervallen.
Ten slotte lijken mij die adviezen op de posters een goed begin. Obama riep dat sommige vaders dachten dat hun rol na de conceptie was uitgespeeld, maar eerder zou het net zo moeten zijn als de moederbaan. Zoals één van de posters zegt: "A father's job is never done".
vrijdag 17 oktober 2008
Hypermama
Ik beloof dat dit de laatste keer is... Nog éénmaal val ik jullie lastig met de promotie van mijn boek Hypermama, de valkuilen van het moderne moederschap. Vanaf vandaag ligt het in Nederland in de boekwinkel, dus iedereen kan het kopen.
Voor de lezers in New York verwijs ik naar de online boekhandels waaronder Dizzie en Bruna. Ook wijs ik hen op de bijeenkomst op 18 november bij de Nederlandse club in New York waarover informatie volgt per mail en waar bezoekers hoogst waarschijnlijk kunnen intekenen om het boek te ontvangen.
Het lukt mij niet om de stukken in NRC, Groene, Volkskrant en Parool hier te linken, maar wel kan ik verwijzen naar het interview op radio 1 van gisteren voor het programma Villa VPRO.
Tot zover, volgende week weer een "gewoon" stukje van mij op deze site!
Voor de lezers in New York verwijs ik naar de online boekhandels waaronder Dizzie en Bruna. Ook wijs ik hen op de bijeenkomst op 18 november bij de Nederlandse club in New York waarover informatie volgt per mail en waar bezoekers hoogst waarschijnlijk kunnen intekenen om het boek te ontvangen.
Het lukt mij niet om de stukken in NRC, Groene, Volkskrant en Parool hier te linken, maar wel kan ik verwijzen naar het interview op radio 1 van gisteren voor het programma Villa VPRO.
Tot zover, volgende week weer een "gewoon" stukje van mij op deze site!
donderdag 2 oktober 2008
Early Intervention
Een tijdje geleden nam ik mijn dochtertje T (anderhalf) mee naar de kinderarts voor een algemene check-up (vergelijkbaar met een bezoek aan het consultatiebureau in Nederland) Ze werd gewogen, gemeten en ze kreeg een paar prikjes in haar mollige dijbeentjes. Daarna volgde een aantal vragen. At ze goed? Sliep ze goed? Praatte ze goed?
“Nou ja, praten”, zei ik, “Ze zegt papa, en mama”
“Hmmm, what about animal sounds?”, vroeg de dokter met een diepe frons op haar voorhoofd. Ik had meteen door dat er iets niet helemaal in de haak was. Ze wees een aantal dieren aan in een boek en vroeg “The cow goes….? The chicken goes…?” T kraaide telkens als ze er één aanwees” "Baby!” riep ze enthousiast. Ik was vergeten de dokter te vertellen dat baby het derde woord is dat ze kent. Ze stelde nog een paar vragen en telkens reageerde T met gebaren en kreetjes. Maar géén dierengeluiden. En nog erger: geen woordjes…
“Okay, I will refer her to a speech therapist”, zei de dokter kalm en ze maakte een aantekening in T’s dossier. Ik schrok. Spraaktherapie? Was dat nou echt nodig?
“Is there someting wrong with her?” vroeg ik bezorgd. Ze heeft op heel jonge leeftijd al een ernstige operatie gehad en daardoor maak ik me nog steeds sneller zorgen bij haar.
“Nee hoor, ik denk dat er helemaal niets met haar aan de hand is”, stelde ze me gerust. “Dit komt héél vaak voor: ze is het tweede kind, volwassenen praten vaak minder tegen een tweede. Bovendien wordt ze tweetalig opgevoed. Genoeg redenen dat ze iets achterloopt.” Maar waarom dan die spraaktherapie? Ik snapte er niets van.
Ze vertelde me geduldig over het early intervention programma in New York. Alle kinderen onder de drie jaar met wat voor vorm van een ontwikkelingsachterstand dan ook, krijgen gratis begeleiding door specialisten, op kosten van de overheid. “Het kost niets!”, riep ze blij.
Op zich natuurlijk een heel mooi programma dat kinderen in de eerste jaren kan helpen en dat gratis wordt aangeboden aan álle ouders. Zeker in een land waar kinderen op grote schaal medische zorg ontberen in verband met een volledig geprivatiseerd en niet functionerend systeem van ziektekostenverzekeringen. Genoeg ouders die hun kind niet naar een dokter kúnnen brengen in verband met de kosten. Maar waarom biedt mijn kinderarts dit aan, terwijl ze ervan overtuigd is dat er niets mis is met mijn dochter? Ik besloot het haar te vragen.
“Hey, you know, it is free, and you never know how it may help your daughter get into one of the better elite schools in the city… A speech therapist will practice with her a lot...” Ze knipoogde samenzweerderig naar me. Aha, daar kwam de aap uit de mouw. Ze dacht mij een gunst te doen met haar verwijzing naar de spraaktherapeut om T daarmee een concurrentievoordeeltje te geven op de scholenmarkt! Het blijkt wéér een ander onderdeel van de doorgedraaide competitie onder kinderen, die hier al zo vroeg begint. Toen ik later om me heen vroeg, bleek dit alles heel gebruikelijk te zijn. Er bleken zelfs ouders te zijn die er een moord voor doen om hun kind te laten scoren ergens “on the spectrum”. Dit spectrum heeft betrekking op de verschillende gradaties van autisme. Als jouw kind symptomen vertoont van de meest lichte vorm van autisme, krijgt het toch al de diagnose “on the spectrum” en dit levert een verwijzing op naar het gratis early intervention programma. Die extra aandacht van specialisten levert jouw kind misschien wel net die “competitive edge” op, zo denken ouders. (Geen wonder dat in de VS sprake is van een autisme epidemie, schoot meteen door me heen.) Een diagnose van een lichte vorm van autisme kan blijkbaar soms een voordeel zijn voor de ouders van een kind. Omdat ouders hier nu eenmaal niets liever willen dan ingrijpen in de ontwikkeling van hun kind om zo de kansen op maatschappelijk succes later te verhogen. Weer een manier om hun kind te "maken". En hoe eerder, hoe beter. De term alleen al: early intervention; ouders smullen ervan.
Ik liep de spreekkamer van de dokter uit met T en voelde me misselijk. Ik woon in een stad waar ouders elkaar beconcurreren met ontwikkelingsachterstanden van hun kinderen en de daarmee samenhangende aandacht van specialisten voor hun kinderen. Natuurlijk heb ik T nooit naar de spraaktherapie gebracht. En nog steeds kent ze geen dierengeluiden. Heel recalcitrant heb ik ons boekje met boerderijdieren zelfs achterop de plank laten liggen. Ik weiger om nu als een New Yorkse hypermama die dierengeluiden erin te rammen. We halen alles later wel in en dan beginnen we gewoon direct met Nietzche….
“Nou ja, praten”, zei ik, “Ze zegt papa, en mama”
“Hmmm, what about animal sounds?”, vroeg de dokter met een diepe frons op haar voorhoofd. Ik had meteen door dat er iets niet helemaal in de haak was. Ze wees een aantal dieren aan in een boek en vroeg “The cow goes….? The chicken goes…?” T kraaide telkens als ze er één aanwees” "Baby!” riep ze enthousiast. Ik was vergeten de dokter te vertellen dat baby het derde woord is dat ze kent. Ze stelde nog een paar vragen en telkens reageerde T met gebaren en kreetjes. Maar géén dierengeluiden. En nog erger: geen woordjes…
“Okay, I will refer her to a speech therapist”, zei de dokter kalm en ze maakte een aantekening in T’s dossier. Ik schrok. Spraaktherapie? Was dat nou echt nodig?
“Is there someting wrong with her?” vroeg ik bezorgd. Ze heeft op heel jonge leeftijd al een ernstige operatie gehad en daardoor maak ik me nog steeds sneller zorgen bij haar.
“Nee hoor, ik denk dat er helemaal niets met haar aan de hand is”, stelde ze me gerust. “Dit komt héél vaak voor: ze is het tweede kind, volwassenen praten vaak minder tegen een tweede. Bovendien wordt ze tweetalig opgevoed. Genoeg redenen dat ze iets achterloopt.” Maar waarom dan die spraaktherapie? Ik snapte er niets van.
Ze vertelde me geduldig over het early intervention programma in New York. Alle kinderen onder de drie jaar met wat voor vorm van een ontwikkelingsachterstand dan ook, krijgen gratis begeleiding door specialisten, op kosten van de overheid. “Het kost niets!”, riep ze blij.
Op zich natuurlijk een heel mooi programma dat kinderen in de eerste jaren kan helpen en dat gratis wordt aangeboden aan álle ouders. Zeker in een land waar kinderen op grote schaal medische zorg ontberen in verband met een volledig geprivatiseerd en niet functionerend systeem van ziektekostenverzekeringen. Genoeg ouders die hun kind niet naar een dokter kúnnen brengen in verband met de kosten. Maar waarom biedt mijn kinderarts dit aan, terwijl ze ervan overtuigd is dat er niets mis is met mijn dochter? Ik besloot het haar te vragen.
“Hey, you know, it is free, and you never know how it may help your daughter get into one of the better elite schools in the city… A speech therapist will practice with her a lot...” Ze knipoogde samenzweerderig naar me. Aha, daar kwam de aap uit de mouw. Ze dacht mij een gunst te doen met haar verwijzing naar de spraaktherapeut om T daarmee een concurrentievoordeeltje te geven op de scholenmarkt! Het blijkt wéér een ander onderdeel van de doorgedraaide competitie onder kinderen, die hier al zo vroeg begint. Toen ik later om me heen vroeg, bleek dit alles heel gebruikelijk te zijn. Er bleken zelfs ouders te zijn die er een moord voor doen om hun kind te laten scoren ergens “on the spectrum”. Dit spectrum heeft betrekking op de verschillende gradaties van autisme. Als jouw kind symptomen vertoont van de meest lichte vorm van autisme, krijgt het toch al de diagnose “on the spectrum” en dit levert een verwijzing op naar het gratis early intervention programma. Die extra aandacht van specialisten levert jouw kind misschien wel net die “competitive edge” op, zo denken ouders. (Geen wonder dat in de VS sprake is van een autisme epidemie, schoot meteen door me heen.) Een diagnose van een lichte vorm van autisme kan blijkbaar soms een voordeel zijn voor de ouders van een kind. Omdat ouders hier nu eenmaal niets liever willen dan ingrijpen in de ontwikkeling van hun kind om zo de kansen op maatschappelijk succes later te verhogen. Weer een manier om hun kind te "maken". En hoe eerder, hoe beter. De term alleen al: early intervention; ouders smullen ervan.
Ik liep de spreekkamer van de dokter uit met T en voelde me misselijk. Ik woon in een stad waar ouders elkaar beconcurreren met ontwikkelingsachterstanden van hun kinderen en de daarmee samenhangende aandacht van specialisten voor hun kinderen. Natuurlijk heb ik T nooit naar de spraaktherapie gebracht. En nog steeds kent ze geen dierengeluiden. Heel recalcitrant heb ik ons boekje met boerderijdieren zelfs achterop de plank laten liggen. Ik weiger om nu als een New Yorkse hypermama die dierengeluiden erin te rammen. We halen alles later wel in en dan beginnen we gewoon direct met Nietzche….
donderdag 11 september 2008
Pit Bul Feminisme
Susan Douglas is professor communicatie aan de Universiteit van Michigan en auteur van The Mommy Myth: The Idealization of Motherhood and How it Has Undermined Women(2004) Ook zij ergert zich aan de stoere praat van Sarah Palin en legt uit hoe het de belangen van moeders in de Verenigde Staten ondermijnt. Verder gaat ze in op de hypocrisie van de Republikeinse partij die nu plotseling warm pleitbezorgers lijken van werkende moeders en zwangere tienerdochters. Lees hier haar interessante column over Pit Bul Feminism.
pitbul feminism
pitbul feminism
dinsdag 9 september 2008
Motherhood and Politics: Sarah Palin
De laatste keer schreef ik over het grote belang van supermom Michelle Obama, maar inmiddels hebben moeders in dit land er een nieuw rolmodel bij gekregen in de vorm van Sarah Palin. Of niet?
Beautyqueen met hippe bril
De verkiezingen zijn al lange tijd reuze spannend, zeker nu Mc Cain en Obama nek aan nek liggen, maar na de keuze van Mc Cain voor Sarah Palin als running mate wordt het nu echt smullen. Mc Cain is niet bepaald een opzwepende spreker met zijn grijze haar en zijn grijs gedraaide plaat van straight talk (die de laatste weken telkens neerkomt op een reactie op alles wat Obama zegt en doet, zonder zelf echt met een nieuw idee te komen), maar de voormalige beautyqueen Palin met haar hippe bril compenseert een hoop. (De verkoop van dergelijke brillen schijnt explosief te zijn gestegen.) We kunnen ons de afgelopen week in de gerenommeerde pers, maar ook in de tabloids onbeperkt tegoed doen aan roddels en waarheden over haar leven. En er is een hoop om over te praten…
“Happy clap” kerk
Ten eerste is daar natuurlijk het feit dat ze de droomkandidaat is van de Amerikaanse evangelicals, de diepreligieuze christenen in dit land. Zo is ze tegen abortus, óók als een meisje het slachtoffer is van verkrachting of incest. (Zelfs Bush vond dat in dit geval toch een uitzondering moest gelden, hoewel hij deze uitzondering niet in wetgeving vast wilde leggen.) Ze hoorde tot een aantal jaren geleden bij de kerk van de Pinkstergemeente, een soort “happy clap”-kerk waar men zich direct laat “aanraken door God” en “in tongen praat”, of terwijl: onder invloed van die aanraking met God allerlei wartaal uitslaat. Uiteraard is het voor de evangelicals een feest om de extreme ideeën over abortus uit de mond te horen van een succesvolle werkende moeder; overtuigender kan haast niet! Voor alle ongewenst zwangere tienermoeders met nauwelijks middelen om in het onderhoud van zichzelf, laat staan een baby, te voorzien, is het uiteraard een minder groot feest…
Hockeymom
Interessant is de manier waarop ze haar moederschap met politiek verbindt. In de New York Times stond hierover het volgende artikel fusing motherhood and politics Palin verklaart zelf dat ze een “hockey mom” is (een thuisblijfmoeder die haar kinderen in haar minivan van hot naar her rijdt) en ook Mc Cain schuift haar moederschap naar voren als een van haar belangrijke kwaliteiten. Als je haar verhaal hoort, lijkt ze echter niet zozeer op een hockey mom als wel op een ijzeren dame met een enorm doorzettingsvermogen. Zo heeft ze vijf kinderen, haar laatste kind Trig is geboren met het syndroom van Down. Een maand vóór haar bevalling vertelde ze pas aan haar collega’s én haar familie dat ze zwanger was, omdat ze niet wilde dat getwijfeld zou worden aan haar capaciteiten als gouverneur van Alaska. Inmiddels gebruikt ze Trig overigens juist om zich politiek te profileren als een pleitbezorgster voor gehandicapte kinderen. Vóór de bevalling echter hield ze haar buik verborgen onder modieuze lange sjaals en andere verhullende kleding. Terwijl haar vliezen al waren gebroken, vloog ze nog even naar een belangrijke bijeenkomst waar ze een toespraak hield. Vervolgens vloog ze naar het ziekenhuis in haar woonplaats in Alaska om te bevallen. Drie dagen na de bevalling zat ze weer achter haar bureau. Bij haar vorige kind was dit één dag na de bevalling. Zelf zegt ze hierover: “To any critics who say a woman can’t think and work and carry a baby at the same time, I’d just like to escort that Neanderthal back to the cave.” Krachtige taal. Vrouwen aan de top!!! De hoop van Mc Cain is natuurlijk dat Palin een belangrijk deel van de Democratische Hillary-stemmers zal aantrekken. En wellicht is een deel van die stemmers inderdaad wel zó blij dat er toch een vrouw verkiesbaar is dat ze om haar Republikeins zullen stemmen.
Kenaugedrag voorbeeld voor werkende moeders?
Maar andere democratische Hillary-stemmers zijn juist beledigd dat gedacht wordt dat zij zouden switchen van Hillary naar Sarah. Zij vragen zich of hoe ze dit allemaal klaarspeelt en wat voor voorbeeld ze eigenlijk stelt aan werkende moeders. En terecht. Het is opmerkelijk dat ze voortdurend heeft doorgewerkt en eigenlijk niemand “last” heeft gehad van haar zwangerschap. Het zal wel een soort buitenaards wezen zijn, denk ik dan. Maar is dit een goed voorbeeld voor moeders? Betekent dit dat andere vrouwen het dus ook zo moeten doen als ze het willen maken in de politiek? Ik hoop het niet. Hoewel ik geen politieke aspiraties heb, zou ik het erg vervelend vinden om me te realiseren dat dergelijk Kenaugedrag een noodzakelijke voorwaarde is voor een succesvolle combinatie van werk en moederschap. Dit lijkt echter in de Verenigde Staten wel het uitgangspunt. Als je ziet hoe gebrekkig vrouwen hier worden ondersteund vóór en na de bevalling (geen ouderschapsverlof, nauwelijks bevallingsverlof, geen terugkeergarantie in de oude baan na de bevalling, etc.), dan bevestigt Sarah Palin dat de huidige regelgeving uitstekend voldoet en wijzigingen niet nodig zijn. Hoewel een enorm aantal vrouwen in de Verenigde Staten een gevecht levert om werk en moederschap te combineren en een groot aantal, juist hoogopgeleide vrouwen, het opgeven na de geboorte van hun eerste of tweede kind en zich, zodra ze het zich kunnen veroorloven, terugtrekken in de wereld van de stay home moms.
Have it all…
De vreemde situatie doet zich nu voor dat de Republikeinen, in het algemeen toch eerder fans van de stay home mom dan van de werkende moeder, zich nu in alle bochten wringen om te laten zien dat het heel goed mogelijk is voor werkende moeders: to have it all. Vijf kinderen en een veeleisende baan. En nog diepreligieus ook! Het enige voordeel is dat wederom de positie van werkende moeders uitgebreid in de belangstelling staat in de Verenigde Staten, maar de campagne van Mc Cain wordt er uiteindelijk alleen maar nóg minder geloofwaardig van. De vraag is of dit uitmaakt. Feit is dat alle aandacht is verschoven van Obama en Michelle naar Sarah en haar pasgeboren zoontje Trig. En geef toe: ze ziet er wel bijzonder koket uit met haar brede lach en die kekke bril….
Beautyqueen met hippe bril
De verkiezingen zijn al lange tijd reuze spannend, zeker nu Mc Cain en Obama nek aan nek liggen, maar na de keuze van Mc Cain voor Sarah Palin als running mate wordt het nu echt smullen. Mc Cain is niet bepaald een opzwepende spreker met zijn grijze haar en zijn grijs gedraaide plaat van straight talk (die de laatste weken telkens neerkomt op een reactie op alles wat Obama zegt en doet, zonder zelf echt met een nieuw idee te komen), maar de voormalige beautyqueen Palin met haar hippe bril compenseert een hoop. (De verkoop van dergelijke brillen schijnt explosief te zijn gestegen.) We kunnen ons de afgelopen week in de gerenommeerde pers, maar ook in de tabloids onbeperkt tegoed doen aan roddels en waarheden over haar leven. En er is een hoop om over te praten…
“Happy clap” kerk
Ten eerste is daar natuurlijk het feit dat ze de droomkandidaat is van de Amerikaanse evangelicals, de diepreligieuze christenen in dit land. Zo is ze tegen abortus, óók als een meisje het slachtoffer is van verkrachting of incest. (Zelfs Bush vond dat in dit geval toch een uitzondering moest gelden, hoewel hij deze uitzondering niet in wetgeving vast wilde leggen.) Ze hoorde tot een aantal jaren geleden bij de kerk van de Pinkstergemeente, een soort “happy clap”-kerk waar men zich direct laat “aanraken door God” en “in tongen praat”, of terwijl: onder invloed van die aanraking met God allerlei wartaal uitslaat. Uiteraard is het voor de evangelicals een feest om de extreme ideeën over abortus uit de mond te horen van een succesvolle werkende moeder; overtuigender kan haast niet! Voor alle ongewenst zwangere tienermoeders met nauwelijks middelen om in het onderhoud van zichzelf, laat staan een baby, te voorzien, is het uiteraard een minder groot feest…
Hockeymom
Interessant is de manier waarop ze haar moederschap met politiek verbindt. In de New York Times stond hierover het volgende artikel fusing motherhood and politics Palin verklaart zelf dat ze een “hockey mom” is (een thuisblijfmoeder die haar kinderen in haar minivan van hot naar her rijdt) en ook Mc Cain schuift haar moederschap naar voren als een van haar belangrijke kwaliteiten. Als je haar verhaal hoort, lijkt ze echter niet zozeer op een hockey mom als wel op een ijzeren dame met een enorm doorzettingsvermogen. Zo heeft ze vijf kinderen, haar laatste kind Trig is geboren met het syndroom van Down. Een maand vóór haar bevalling vertelde ze pas aan haar collega’s én haar familie dat ze zwanger was, omdat ze niet wilde dat getwijfeld zou worden aan haar capaciteiten als gouverneur van Alaska. Inmiddels gebruikt ze Trig overigens juist om zich politiek te profileren als een pleitbezorgster voor gehandicapte kinderen. Vóór de bevalling echter hield ze haar buik verborgen onder modieuze lange sjaals en andere verhullende kleding. Terwijl haar vliezen al waren gebroken, vloog ze nog even naar een belangrijke bijeenkomst waar ze een toespraak hield. Vervolgens vloog ze naar het ziekenhuis in haar woonplaats in Alaska om te bevallen. Drie dagen na de bevalling zat ze weer achter haar bureau. Bij haar vorige kind was dit één dag na de bevalling. Zelf zegt ze hierover: “To any critics who say a woman can’t think and work and carry a baby at the same time, I’d just like to escort that Neanderthal back to the cave.” Krachtige taal. Vrouwen aan de top!!! De hoop van Mc Cain is natuurlijk dat Palin een belangrijk deel van de Democratische Hillary-stemmers zal aantrekken. En wellicht is een deel van die stemmers inderdaad wel zó blij dat er toch een vrouw verkiesbaar is dat ze om haar Republikeins zullen stemmen.
Kenaugedrag voorbeeld voor werkende moeders?
Maar andere democratische Hillary-stemmers zijn juist beledigd dat gedacht wordt dat zij zouden switchen van Hillary naar Sarah. Zij vragen zich of hoe ze dit allemaal klaarspeelt en wat voor voorbeeld ze eigenlijk stelt aan werkende moeders. En terecht. Het is opmerkelijk dat ze voortdurend heeft doorgewerkt en eigenlijk niemand “last” heeft gehad van haar zwangerschap. Het zal wel een soort buitenaards wezen zijn, denk ik dan. Maar is dit een goed voorbeeld voor moeders? Betekent dit dat andere vrouwen het dus ook zo moeten doen als ze het willen maken in de politiek? Ik hoop het niet. Hoewel ik geen politieke aspiraties heb, zou ik het erg vervelend vinden om me te realiseren dat dergelijk Kenaugedrag een noodzakelijke voorwaarde is voor een succesvolle combinatie van werk en moederschap. Dit lijkt echter in de Verenigde Staten wel het uitgangspunt. Als je ziet hoe gebrekkig vrouwen hier worden ondersteund vóór en na de bevalling (geen ouderschapsverlof, nauwelijks bevallingsverlof, geen terugkeergarantie in de oude baan na de bevalling, etc.), dan bevestigt Sarah Palin dat de huidige regelgeving uitstekend voldoet en wijzigingen niet nodig zijn. Hoewel een enorm aantal vrouwen in de Verenigde Staten een gevecht levert om werk en moederschap te combineren en een groot aantal, juist hoogopgeleide vrouwen, het opgeven na de geboorte van hun eerste of tweede kind en zich, zodra ze het zich kunnen veroorloven, terugtrekken in de wereld van de stay home moms.
Have it all…
De vreemde situatie doet zich nu voor dat de Republikeinen, in het algemeen toch eerder fans van de stay home mom dan van de werkende moeder, zich nu in alle bochten wringen om te laten zien dat het heel goed mogelijk is voor werkende moeders: to have it all. Vijf kinderen en een veeleisende baan. En nog diepreligieus ook! Het enige voordeel is dat wederom de positie van werkende moeders uitgebreid in de belangstelling staat in de Verenigde Staten, maar de campagne van Mc Cain wordt er uiteindelijk alleen maar nóg minder geloofwaardig van. De vraag is of dit uitmaakt. Feit is dat alle aandacht is verschoven van Obama en Michelle naar Sarah en haar pasgeboren zoontje Trig. En geef toe: ze ziet er wel bijzonder koket uit met haar brede lach en die kekke bril….
maandag 30 juni 2008
Michelle for President!
Barack Obama schijnt nu serieus geld te gaan uitgeven aan zijn presidentscampagne. Advertenties en commercials zijn hierbij cruciaal. In feite moet Obama een soort merk worden waar iedereen zich in kan herkennen: jong en oud, blank en zwart, man en vrouw. Belangrijk bij de opbouw van dit merk is ook het gezin van Obama en in het bijzonder natuurlijk zijn vrouw, Michelle.
Het begon allemaal niet al te best. Michelle Obama bestond het om voor het oog van duizenden camera’s te verkondigen dat zij nú pas kon zeggen dat ze trots was op haar land. Nu haar man zich verkiesbaar had gesteld dus. Niet bepaald een handige opmerking in een land waar elke politieke speech wordt afgesloten met: ”God bless America” en vrijwel iedere Amerikaan, liberaal of conservatief, regelmatig verwijst naar de VS als “Our great nation”. Zonder te lachen. Of de VS nu mensen martelt zonder eerlijk proces, of het nu landen binnenvalt met een leugenachtige reden, of het nu de grootste economische ongelijkheid heeft van de westerse wereld; je hoort als Amerikaan gewoon ALTIJD trots te zijn op je land. (Rita Verdonk zou ervan zwijmelen)
Het beschadigde imago van Michelle moet dus worden hersteld. Hoog tijd voor een charmeoffensief. Als onderdeel van dit offensief heeft de campagneleiding blijkbaar besloten om Michelle van nu af aan alleen nog maar af te schilderen als de ideale moeder. Een wijze beslissing, want waarschijnlijk zal een flink aantal kiezers zich (helaas) eerder laten leiden door Michelle’s kwaliteiten als perfecte moeder dan door de oorlog in Irak of de economische crisis waar het land zich in begeeft.
Zelfs in het tijdschrift Us Weekly, dat normaal elke week wordt gevuld met Brangelina en Brit, stond afgelopen week een uitgebreide special over Michelle. (“Why he loves her”). Us is een soort Amerikaanse Privé, die wordt gelezen door een enorm aantal Amerikaanse vrouwen van verschillende rangen en standen. (en zo nu en dan een Nederlandse vrouw in New York met een ernstige behoefte aan een roddelblad…) Ik ga er eens even goed voor zitten.
Eerst lees ik over haar leven voordat ze moeder werd. Michelle was als meisje slim en knap, ze ging naar de topuniversiteiten Princeton en Harvard, waar ze “one of the cute girls” was, gevolgd door een baan bij een topadvocatenkantoor in Chicago. Daar ontmoette ze de zomerstagiaire Barack, die ook aan Harvard studeerde, en ze raakte verliefd.
Uiteraard heeft ze haar topbaan inmiddels aan de wilgen gehangen. Het bijstaan van een partner bij de een presidentscampagne is al meer dan een fulltime baan. Ze helpt hem overal, treedt zelf ook regelmatig op en doet er alles aan om haar man verkozen te krijgen.
Toch zijn haar kinderen het meest belangrijk voor haar. Al vanaf dat vrienden haar kennen, wilde Michelle moeder worden. Haar droom werd niet direct bewaarheid, want ze had moeite om zwanger te raken. Maar inmiddels heeft ze dan toch twee dochters. Ze had misschien een topbaan als advocaat, maar ze is eigenlijk zό GEWOON, verzekert Us mij. Zo heeft ze bijvoorbeeld GEEN NANNY. Ze shopt bij Target (een soort HEMA) en koopt kleren voor haar kinderen niet bij fancy designer winkels, maar gewoon bij de GAP. Ze mist geen enkel optreden van haar dochters op school, of het nu toneel, sport of muziek is.
Ze heeft haar kinderen goed in de hand. Haar kinderen weten het goede van het kwade te onderscheiden en ze gehoorzamen haar, zelfs als zij er zelf niet bij is. (wat regelmatig het geval moet zijn. Hoe moet dit dan trouwens zonder nanny, vraag ik me af. Later lees ik dat oma op de kinderen past als Michelle op pad is) Als haar oudste dochter ijs krijgt aangeboden bij iemand anders thuis, zal ze het weigeren, omdat ze weet dat haar moeder het niet goed vindt. Hmmm, op dat punt ben ik geloof ik nog niet helemaal aangekomen. Als ik mijn zoontje J vertel dat hij geen lolly’s meer mag vandaag, dan zal hij bij de buren een uur later eerder verkondigen dat het een algemeen gebruik is bij ons thuis dat er aan de lopende band lolly’s wordt gegeten en dat het dus absoluut geen probleem is als hij er nog één krijgt. Maar ja, ik ben dan ook geen Michelle…
Het fijnste aan Michelle is dat we niet bang hoeven te zijn dat ze zich met de zaken van haar man zal bemoeien. “She’s not in the least bit interested in being a co-president”. Een hele opluchting, want niemand zit te wachten op een tweede Hillary, zo is de boodschap.
Michelle houdt zich eerder intensief bezig met het plannen van een trip naar een waterpark (een soort Six Flags in het zwembad) en hoe ze Barack zover kan krijgen om mee te gaan. “We all relate to her mom humor”, zegt haar vriendin volgens Us. Tja, hier spreekt inderdaad een eindeloos gevoel voor humor uit!
Toch moeten we niet denken dat Michelle een soort martelaar is van het moederschap. Het is vooral ook een hele LEUKE moeder. Zo speelt ze bijvoorbeeld graag sudoku en rijdt ze op haar fiets. Hier ben ik even verdwaald in de Amerikaanse vrouwenziel, geloof ik.
Ze is naar de opening van “Sex and the City” geweest en ze leest regelmatig Us Weekly. Ze heeft zo haar moedertrucjes, zoals “headbands for bad-hair days”. Soms is ze bovendien zelfs een echte stouterd. Als bijvoorbeeld op school alle moeders iets te eten moeten meebrengen voor een “potluck dinner”, dan claimt Michelle het dessert, zodat ze gewoon een taart in de winkel kan kopen! Ze is open over hoe moeilijk het is om familietaken met werktaken te combineren en Michelle heeft hierover zelfs wel eens geklaagd…
Maar inmiddels heeft ze haar gezin uitstekend op de rails en is ze de rots in de branding voor het hele gezin. Het artikel eindigt dan ook met de retorische vraag: “Could the woman dabbing ketchup off her daughters’chins be the next first lady? Together with Barack, perhaps she can.”
Het geloof van Amerikanen in Michelle, en dus in Barack, hangt blijkbaar voor een groot deel af van de vraag of ze een goede moeder is. Het Us artikel probeert Amerikanen hier hartstochtelijk van te overtuigen. Of dit zal lukken, zal misschien wel bepalen wie de nieuwe president wordt van de VS. Wat zal bepalen of er misschien daadwerkelijk hoop is voor minder armoede en economische ongelijkheid in de VS. En of de klimaatcrisis nu eindelijk eens serieus zal worden aangepakt (ik hoorde dat er deze zomer waarschijnlijk al geen ijs meer op de Noordpool ligt) En wat de rol van de VS in de wereld zal zijn. Een niet te onderschatten verantwoordelijkheid dus voor deze supermoeder. Ik zou bijna zeggen: “Michelle for President!”
Het begon allemaal niet al te best. Michelle Obama bestond het om voor het oog van duizenden camera’s te verkondigen dat zij nú pas kon zeggen dat ze trots was op haar land. Nu haar man zich verkiesbaar had gesteld dus. Niet bepaald een handige opmerking in een land waar elke politieke speech wordt afgesloten met: ”God bless America” en vrijwel iedere Amerikaan, liberaal of conservatief, regelmatig verwijst naar de VS als “Our great nation”. Zonder te lachen. Of de VS nu mensen martelt zonder eerlijk proces, of het nu landen binnenvalt met een leugenachtige reden, of het nu de grootste economische ongelijkheid heeft van de westerse wereld; je hoort als Amerikaan gewoon ALTIJD trots te zijn op je land. (Rita Verdonk zou ervan zwijmelen)
Het beschadigde imago van Michelle moet dus worden hersteld. Hoog tijd voor een charmeoffensief. Als onderdeel van dit offensief heeft de campagneleiding blijkbaar besloten om Michelle van nu af aan alleen nog maar af te schilderen als de ideale moeder. Een wijze beslissing, want waarschijnlijk zal een flink aantal kiezers zich (helaas) eerder laten leiden door Michelle’s kwaliteiten als perfecte moeder dan door de oorlog in Irak of de economische crisis waar het land zich in begeeft.
Zelfs in het tijdschrift Us Weekly, dat normaal elke week wordt gevuld met Brangelina en Brit, stond afgelopen week een uitgebreide special over Michelle. (“Why he loves her”). Us is een soort Amerikaanse Privé, die wordt gelezen door een enorm aantal Amerikaanse vrouwen van verschillende rangen en standen. (en zo nu en dan een Nederlandse vrouw in New York met een ernstige behoefte aan een roddelblad…) Ik ga er eens even goed voor zitten.
Eerst lees ik over haar leven voordat ze moeder werd. Michelle was als meisje slim en knap, ze ging naar de topuniversiteiten Princeton en Harvard, waar ze “one of the cute girls” was, gevolgd door een baan bij een topadvocatenkantoor in Chicago. Daar ontmoette ze de zomerstagiaire Barack, die ook aan Harvard studeerde, en ze raakte verliefd.
Uiteraard heeft ze haar topbaan inmiddels aan de wilgen gehangen. Het bijstaan van een partner bij de een presidentscampagne is al meer dan een fulltime baan. Ze helpt hem overal, treedt zelf ook regelmatig op en doet er alles aan om haar man verkozen te krijgen.
Toch zijn haar kinderen het meest belangrijk voor haar. Al vanaf dat vrienden haar kennen, wilde Michelle moeder worden. Haar droom werd niet direct bewaarheid, want ze had moeite om zwanger te raken. Maar inmiddels heeft ze dan toch twee dochters. Ze had misschien een topbaan als advocaat, maar ze is eigenlijk zό GEWOON, verzekert Us mij. Zo heeft ze bijvoorbeeld GEEN NANNY. Ze shopt bij Target (een soort HEMA) en koopt kleren voor haar kinderen niet bij fancy designer winkels, maar gewoon bij de GAP. Ze mist geen enkel optreden van haar dochters op school, of het nu toneel, sport of muziek is.
Ze heeft haar kinderen goed in de hand. Haar kinderen weten het goede van het kwade te onderscheiden en ze gehoorzamen haar, zelfs als zij er zelf niet bij is. (wat regelmatig het geval moet zijn. Hoe moet dit dan trouwens zonder nanny, vraag ik me af. Later lees ik dat oma op de kinderen past als Michelle op pad is) Als haar oudste dochter ijs krijgt aangeboden bij iemand anders thuis, zal ze het weigeren, omdat ze weet dat haar moeder het niet goed vindt. Hmmm, op dat punt ben ik geloof ik nog niet helemaal aangekomen. Als ik mijn zoontje J vertel dat hij geen lolly’s meer mag vandaag, dan zal hij bij de buren een uur later eerder verkondigen dat het een algemeen gebruik is bij ons thuis dat er aan de lopende band lolly’s wordt gegeten en dat het dus absoluut geen probleem is als hij er nog één krijgt. Maar ja, ik ben dan ook geen Michelle…
Het fijnste aan Michelle is dat we niet bang hoeven te zijn dat ze zich met de zaken van haar man zal bemoeien. “She’s not in the least bit interested in being a co-president”. Een hele opluchting, want niemand zit te wachten op een tweede Hillary, zo is de boodschap.
Michelle houdt zich eerder intensief bezig met het plannen van een trip naar een waterpark (een soort Six Flags in het zwembad) en hoe ze Barack zover kan krijgen om mee te gaan. “We all relate to her mom humor”, zegt haar vriendin volgens Us. Tja, hier spreekt inderdaad een eindeloos gevoel voor humor uit!
Toch moeten we niet denken dat Michelle een soort martelaar is van het moederschap. Het is vooral ook een hele LEUKE moeder. Zo speelt ze bijvoorbeeld graag sudoku en rijdt ze op haar fiets. Hier ben ik even verdwaald in de Amerikaanse vrouwenziel, geloof ik.
Ze is naar de opening van “Sex and the City” geweest en ze leest regelmatig Us Weekly. Ze heeft zo haar moedertrucjes, zoals “headbands for bad-hair days”. Soms is ze bovendien zelfs een echte stouterd. Als bijvoorbeeld op school alle moeders iets te eten moeten meebrengen voor een “potluck dinner”, dan claimt Michelle het dessert, zodat ze gewoon een taart in de winkel kan kopen! Ze is open over hoe moeilijk het is om familietaken met werktaken te combineren en Michelle heeft hierover zelfs wel eens geklaagd…
Maar inmiddels heeft ze haar gezin uitstekend op de rails en is ze de rots in de branding voor het hele gezin. Het artikel eindigt dan ook met de retorische vraag: “Could the woman dabbing ketchup off her daughters’chins be the next first lady? Together with Barack, perhaps she can.”
Het geloof van Amerikanen in Michelle, en dus in Barack, hangt blijkbaar voor een groot deel af van de vraag of ze een goede moeder is. Het Us artikel probeert Amerikanen hier hartstochtelijk van te overtuigen. Of dit zal lukken, zal misschien wel bepalen wie de nieuwe president wordt van de VS. Wat zal bepalen of er misschien daadwerkelijk hoop is voor minder armoede en economische ongelijkheid in de VS. En of de klimaatcrisis nu eindelijk eens serieus zal worden aangepakt (ik hoorde dat er deze zomer waarschijnlijk al geen ijs meer op de Noordpool ligt) En wat de rol van de VS in de wereld zal zijn. Een niet te onderschatten verantwoordelijkheid dus voor deze supermoeder. Ik zou bijna zeggen: “Michelle for President!”
donderdag 15 mei 2008
Meer lezen
Wie meer wil lezen:
Deze week staat mijn artikel "Manhattan Mom" in de Viva.
Op de website van Elsevier Juridisch staat de column
American Dream
Deze week staat mijn artikel "Manhattan Mom" in de Viva.
Op de website van Elsevier Juridisch staat de column
American Dream
Shalom in the Home
Paycheck
Een tijdje geleden ging ik voor vijf dagen naar Nederland. Zonder man en kinderen dit keer. Mijn partner R. zou voor de kinderen zorgen en dit gegeven bracht een golf van bewondering teweeg in onze omgeving. “But you do not have ANY help?”, vroeg een moeder aan R. Ze kon het bijna niet geloven. R kreeg telefoonnummers die hij kon bellen “in case anything happens”. Binnen de kortste tijd zaten de vijf dagen vol met afspraken voor “playdates”. Iedereen leek een helpende hand toe te steken.
Toen ik terugkwam en alles prima (gewoon dus eigenlijk) was verlopen hier in New York, kreeg ik van verschillende kanten te horen hoe “wonderful” R wel niet was. Op school hielden ze er niet over op. Hij was zelfs het dekentje voor J´s middagslaapje niet vergeten. “What a great husband!” Ik stelde R voor om met een lauwerkrans een ereronde door de Upper West Side te gaan maken. Zie hier: de man die vijf dagen voor zijn eigen kinderen zorgde!!
Hier is dit minder vreemd dan het lijkt. Op de enkele thuisblijfvader of vader van een homo-stel na lijken vaders wel totaal afwezig in de kinderwereld van Manhattan. Op school wordt eens in de zoveel tijd een “mom’s night out” georganiseerd. Ik vroeg aan één van de vaders wanneer de eerste “dad’s night out” was. Natuurlijk wist ik dat die nooit zou worden gepland. “We are just here for the paychecks”, zei hij besmuikt.
Shalom in the Home
Rabbi Schmuley heeft een show op de Amerikaanse zender TLC met de geweldige naam Shalom in the Home. In deze show praat hij met echtparen over allerlei familieproblemen: problemen met de kinderen, problemen met verslaving, seksuele problemen, relatieproblemen. Schmuley geeft goede raad aan deze stellen en ook aan de kijkers thuis. Naar aanleiding van zijn show schreef hij een boek The Broken American Male (2008) Volgens hem bleek namelijk het grootste gedeelte van alle familieproblemen in deze gezinnen te worden veroorzaakt door een “broken American male”. Het probleem van deze gebroken man is dat hij in een maatschappij leeft waar hij alleen maar wordt aangekeken op de hoeveelheid geld die hij verdient en het consumptieniveau van zijn gezin dat hij daarmee kan garanderen.
Het ultieme rolmodel voor de Amerikaanse man is Donald Trump. Een onhebbelijke, vervelende man, die er in zijn privé leven een potje van maakt, maar toch eindeloos veel respect verdient. Mensen vochten er zelfs om zijn stagiaire te mogen zijn in de show “The Apprentice”. Hij is een groot voorbeeld. Niet omdat hij een goed karakter heeft of mooie dingen doet voor de wereld. Niet omdat hij een bepaalde boodschap heeft. Nee, hij wordt enkel en alleen bewonderd om zijn enorme fortuin. De beeldvorming in de media houdt mannen voor dat zij respect en waardering kunnen krijgen door geld te verdienen. Hoe ze dit verdienen maakt niet uit. Het gaat erom dat ze het verdienen en het liefst zo veel mogelijk. En het is nooit genoeg. Zo komt het dat zelfs de mannen op Manhattan met een royaal inkomen toch het gevoel hebben dat zij tekort schieten. Eind 2006 stonden er in de kranten berichten over de kerstbonussen van de Wall Street mannen. Er bleek een tekort te zijn aan Ferrari’s, omdat zoveel Wall Street brokers na ontvangst van hun kerstbonus een Ferrari kochten. De privé vliegtuigen waren uitverkocht, omdat zoveel superrijken hadden besloten zich voortaan per privé jet te laten vervoeren. Dacht die vader dat hij het goed had gedaan dit jaar, blijkt het allemaal in het niet te vallen vergeleken met deze miljardairs.
Volgens Schmuley voelen veel vaders zich tekort schieten. Ze hebben het gevoel dat ze alleen maar goed zijn om dingen te doen: geld verdienen, reparaties in het huis, etc. De onvrede over hun maatschappelijke status, die vrijwel altijd te min is voor de onmogelijke norm van de media, zorgt ervoor dat zij hun woede afreageren op hun partners. Vandaar al die relatieproblemen en ook de problemen met kinderen. Want de vader die geen vertrouwen in zichzelf heeft, kan zijn kinderen ook geen zelfvertrouwen meegeven.
Schmuley heeft een conservatieve insteek. Ouders moeten opvoeden zonder angst, behalve met angst voor God, zo vertelt hij zijn kijkers. De vrouw is de aangewezen persoon om thuis voor de kinderen te zorgen en haar man zelfvertrouwen te geven en gelukkig te maken. In veel opzichten niet bepaald baandoorbrekend.
Maar zijn analyse van de problemen van vaders is interessant. Vaak wordt de problematiek in het gezinsleven slechts vanuit de optiek van de vrouw bekeken. Omdat zij nu eenmaal de meeste opvoedtaken en huishoudelijke taken op zich neemt. Het is van belang om te begrijpen waarom veel vaders ook niet bepaald tevreden lijken te zijn met hun “part of the deal”. De hoog opgeleide thuisblijfmoeders in New York zitten meestal thuis op hun eigen initiatief. Ze zijn overvallen door de liefde voor hun baby en zien geen mogelijkheid om hun meer dan fulltime banen te combineren met de zorg voor hun baby. Hun partner vond het misschien wel helemaal niet zo leuk dat één paycheck zomaar weg viel. Hé, we zouden toch samen voor het gezinsinkomen zorgen? Je was toch een geëmancipeerde vrouw met eigen ambities? Hoe komt het dat ik opeens in mijn eentje verantwoordelijk ben voor alle inkomsten? Maar wat kan hij er tegenin brengen als zij voor de kinderen wil zorgen? Als hij zou aandringen op doorwerken, wat voor vader is hij dan? Is hij misschien onzeker of hij het gezin wel in zijn eentje kan onderhouden? Is hij misschien geen echte man? Of wil hij misschien dat er niet goed voor zijn kinderen wordt gezorgd? Wil hij de kinderen misschien naar zo´n verschrikkelijk kinderdagverblijf sturen? Bovendien blijken de kosten van kinderopvang vaak niet op te wegen tegen het geld dat binnen wordt gebracht en zo is de keuze dus al snel niet meer onderhandelbaar.
Vaders weten het soms beter
Hier komt nog bij dat moeders enorm veel moeite hebben om hun verantwoordelijkheid voor de kinderen daadwerkelijk te delen met hun partner. Dit begint direct na de geboorte. De baby heeft in mama’s buik gezeten en drinkt aan mama’s borst (zo goed en zo kwaad als dat gaat in de praktijk…). Mama weet het dan ook altijd het beste. Dit moet voor vaders af en toe bijzonder moeilijk en irritant zijn. Vrijwel elke moeder heeft wel een hilarisch voorbeeld van disfunctioneren van hun partner op huishoudelijk gebied. Hij doet de luier verkeerd om! Hij kijkt de baby niet eens aan als hij het flesje geeft! Hij leest gewoon de krant als de baby in het wipstoeltje zit! Hij kijkt televisie! Menig moeder is verbaasd hoeveel tijd een vader overhoudt als hij eens een dagje “oppast”. Vaders blijken dan vaak veel meer gedaan te krijgen in de tijd dat ze met de baby zijn, omdat ze nu eenmaal niet voortdurend met de baby bezig zijn. Ja, de baby zit in zijn wipstoeltje en krijgt niet om de vijf minuten een nieuw stimulerend speelgoedje aangeboden, zoals bij mama. Misschien krijgt hij zijn flesje niet precies op tijd. Misschien wordt het rompertje iets minder snel verschoond. Maar de baby zelf lijkt er in de regel niet bepaald onder te lijden. Je zoontje gaat met zijn shirt binnenstebuiten naar school. Is dat een ramp? Je dochtertje heeft een ietwat vreemde kleurencombinatie aan naar de crèche. So what?
De vader heeft in feite zoveel in te halen vlak na de geboorte. Als hij hier niet de kans voor krijgt, wordt een bepaalde huishoudelijke rolverdeling van de babytijd gemakkelijk een leidraad voor de tijd daarna met grotere kinderen. Bovendien is het moeilijk voorstelbaar voor moeders, maar vaders weten het soms beter! Toen ik die vijf dagen in Nederland was, waren onze kinderen geen enkele keer wakker geworden ’s nachts. Terwijl ik daarvόόr elke nacht wakker werd van het huilen en uiteindelijk dan maar bij hun bed ging zitten. R hoorde het simpelweg niet als ze huilden en daardoor gingen ze uit zichzelf weer slapen. Dit bleek de beste remedie voor de nachtelijke slaapkamertaferelen.
Jammer genoeg komt het vaak niet eens zo ver dat vaders kunnen opvoeden in hun eigen stijl. Een gemiste kans voor de kinderen die grotendeels vaderloos worden opgevoed. De vader zelf realiseert zich vaak pas hoeveel hij heeft gemist als zijn kleinkinderen worden geboren. Maar ook is het jammer, omdat juist de hypermama’s op Manhattan een hoop kunnen leren van de nonchalance en het gemak waarmee vaders vaak met hun kinderen omgaan.
Een tijdje geleden ging ik voor vijf dagen naar Nederland. Zonder man en kinderen dit keer. Mijn partner R. zou voor de kinderen zorgen en dit gegeven bracht een golf van bewondering teweeg in onze omgeving. “But you do not have ANY help?”, vroeg een moeder aan R. Ze kon het bijna niet geloven. R kreeg telefoonnummers die hij kon bellen “in case anything happens”. Binnen de kortste tijd zaten de vijf dagen vol met afspraken voor “playdates”. Iedereen leek een helpende hand toe te steken.
Toen ik terugkwam en alles prima (gewoon dus eigenlijk) was verlopen hier in New York, kreeg ik van verschillende kanten te horen hoe “wonderful” R wel niet was. Op school hielden ze er niet over op. Hij was zelfs het dekentje voor J´s middagslaapje niet vergeten. “What a great husband!” Ik stelde R voor om met een lauwerkrans een ereronde door de Upper West Side te gaan maken. Zie hier: de man die vijf dagen voor zijn eigen kinderen zorgde!!
Hier is dit minder vreemd dan het lijkt. Op de enkele thuisblijfvader of vader van een homo-stel na lijken vaders wel totaal afwezig in de kinderwereld van Manhattan. Op school wordt eens in de zoveel tijd een “mom’s night out” georganiseerd. Ik vroeg aan één van de vaders wanneer de eerste “dad’s night out” was. Natuurlijk wist ik dat die nooit zou worden gepland. “We are just here for the paychecks”, zei hij besmuikt.
Shalom in the Home
Rabbi Schmuley heeft een show op de Amerikaanse zender TLC met de geweldige naam Shalom in the Home. In deze show praat hij met echtparen over allerlei familieproblemen: problemen met de kinderen, problemen met verslaving, seksuele problemen, relatieproblemen. Schmuley geeft goede raad aan deze stellen en ook aan de kijkers thuis. Naar aanleiding van zijn show schreef hij een boek The Broken American Male (2008) Volgens hem bleek namelijk het grootste gedeelte van alle familieproblemen in deze gezinnen te worden veroorzaakt door een “broken American male”. Het probleem van deze gebroken man is dat hij in een maatschappij leeft waar hij alleen maar wordt aangekeken op de hoeveelheid geld die hij verdient en het consumptieniveau van zijn gezin dat hij daarmee kan garanderen.
Het ultieme rolmodel voor de Amerikaanse man is Donald Trump. Een onhebbelijke, vervelende man, die er in zijn privé leven een potje van maakt, maar toch eindeloos veel respect verdient. Mensen vochten er zelfs om zijn stagiaire te mogen zijn in de show “The Apprentice”. Hij is een groot voorbeeld. Niet omdat hij een goed karakter heeft of mooie dingen doet voor de wereld. Niet omdat hij een bepaalde boodschap heeft. Nee, hij wordt enkel en alleen bewonderd om zijn enorme fortuin. De beeldvorming in de media houdt mannen voor dat zij respect en waardering kunnen krijgen door geld te verdienen. Hoe ze dit verdienen maakt niet uit. Het gaat erom dat ze het verdienen en het liefst zo veel mogelijk. En het is nooit genoeg. Zo komt het dat zelfs de mannen op Manhattan met een royaal inkomen toch het gevoel hebben dat zij tekort schieten. Eind 2006 stonden er in de kranten berichten over de kerstbonussen van de Wall Street mannen. Er bleek een tekort te zijn aan Ferrari’s, omdat zoveel Wall Street brokers na ontvangst van hun kerstbonus een Ferrari kochten. De privé vliegtuigen waren uitverkocht, omdat zoveel superrijken hadden besloten zich voortaan per privé jet te laten vervoeren. Dacht die vader dat hij het goed had gedaan dit jaar, blijkt het allemaal in het niet te vallen vergeleken met deze miljardairs.
Volgens Schmuley voelen veel vaders zich tekort schieten. Ze hebben het gevoel dat ze alleen maar goed zijn om dingen te doen: geld verdienen, reparaties in het huis, etc. De onvrede over hun maatschappelijke status, die vrijwel altijd te min is voor de onmogelijke norm van de media, zorgt ervoor dat zij hun woede afreageren op hun partners. Vandaar al die relatieproblemen en ook de problemen met kinderen. Want de vader die geen vertrouwen in zichzelf heeft, kan zijn kinderen ook geen zelfvertrouwen meegeven.
Schmuley heeft een conservatieve insteek. Ouders moeten opvoeden zonder angst, behalve met angst voor God, zo vertelt hij zijn kijkers. De vrouw is de aangewezen persoon om thuis voor de kinderen te zorgen en haar man zelfvertrouwen te geven en gelukkig te maken. In veel opzichten niet bepaald baandoorbrekend.
Maar zijn analyse van de problemen van vaders is interessant. Vaak wordt de problematiek in het gezinsleven slechts vanuit de optiek van de vrouw bekeken. Omdat zij nu eenmaal de meeste opvoedtaken en huishoudelijke taken op zich neemt. Het is van belang om te begrijpen waarom veel vaders ook niet bepaald tevreden lijken te zijn met hun “part of the deal”. De hoog opgeleide thuisblijfmoeders in New York zitten meestal thuis op hun eigen initiatief. Ze zijn overvallen door de liefde voor hun baby en zien geen mogelijkheid om hun meer dan fulltime banen te combineren met de zorg voor hun baby. Hun partner vond het misschien wel helemaal niet zo leuk dat één paycheck zomaar weg viel. Hé, we zouden toch samen voor het gezinsinkomen zorgen? Je was toch een geëmancipeerde vrouw met eigen ambities? Hoe komt het dat ik opeens in mijn eentje verantwoordelijk ben voor alle inkomsten? Maar wat kan hij er tegenin brengen als zij voor de kinderen wil zorgen? Als hij zou aandringen op doorwerken, wat voor vader is hij dan? Is hij misschien onzeker of hij het gezin wel in zijn eentje kan onderhouden? Is hij misschien geen echte man? Of wil hij misschien dat er niet goed voor zijn kinderen wordt gezorgd? Wil hij de kinderen misschien naar zo´n verschrikkelijk kinderdagverblijf sturen? Bovendien blijken de kosten van kinderopvang vaak niet op te wegen tegen het geld dat binnen wordt gebracht en zo is de keuze dus al snel niet meer onderhandelbaar.
Vaders weten het soms beter
Hier komt nog bij dat moeders enorm veel moeite hebben om hun verantwoordelijkheid voor de kinderen daadwerkelijk te delen met hun partner. Dit begint direct na de geboorte. De baby heeft in mama’s buik gezeten en drinkt aan mama’s borst (zo goed en zo kwaad als dat gaat in de praktijk…). Mama weet het dan ook altijd het beste. Dit moet voor vaders af en toe bijzonder moeilijk en irritant zijn. Vrijwel elke moeder heeft wel een hilarisch voorbeeld van disfunctioneren van hun partner op huishoudelijk gebied. Hij doet de luier verkeerd om! Hij kijkt de baby niet eens aan als hij het flesje geeft! Hij leest gewoon de krant als de baby in het wipstoeltje zit! Hij kijkt televisie! Menig moeder is verbaasd hoeveel tijd een vader overhoudt als hij eens een dagje “oppast”. Vaders blijken dan vaak veel meer gedaan te krijgen in de tijd dat ze met de baby zijn, omdat ze nu eenmaal niet voortdurend met de baby bezig zijn. Ja, de baby zit in zijn wipstoeltje en krijgt niet om de vijf minuten een nieuw stimulerend speelgoedje aangeboden, zoals bij mama. Misschien krijgt hij zijn flesje niet precies op tijd. Misschien wordt het rompertje iets minder snel verschoond. Maar de baby zelf lijkt er in de regel niet bepaald onder te lijden. Je zoontje gaat met zijn shirt binnenstebuiten naar school. Is dat een ramp? Je dochtertje heeft een ietwat vreemde kleurencombinatie aan naar de crèche. So what?
De vader heeft in feite zoveel in te halen vlak na de geboorte. Als hij hier niet de kans voor krijgt, wordt een bepaalde huishoudelijke rolverdeling van de babytijd gemakkelijk een leidraad voor de tijd daarna met grotere kinderen. Bovendien is het moeilijk voorstelbaar voor moeders, maar vaders weten het soms beter! Toen ik die vijf dagen in Nederland was, waren onze kinderen geen enkele keer wakker geworden ’s nachts. Terwijl ik daarvόόr elke nacht wakker werd van het huilen en uiteindelijk dan maar bij hun bed ging zitten. R hoorde het simpelweg niet als ze huilden en daardoor gingen ze uit zichzelf weer slapen. Dit bleek de beste remedie voor de nachtelijke slaapkamertaferelen.
Jammer genoeg komt het vaak niet eens zo ver dat vaders kunnen opvoeden in hun eigen stijl. Een gemiste kans voor de kinderen die grotendeels vaderloos worden opgevoed. De vader zelf realiseert zich vaak pas hoeveel hij heeft gemist als zijn kleinkinderen worden geboren. Maar ook is het jammer, omdat juist de hypermama’s op Manhattan een hoop kunnen leren van de nonchalance en het gemak waarmee vaders vaak met hun kinderen omgaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)