Vlak na 11 september 2001 was iedereen in New York angstiger dan normaal. Op mijn werk circuleerden enveloppen die werden gecontroleerd op miltvuur, een ziekte waaraan iedereen zou kunnen bezwijken. Boven ons hoofd circuleerden non-stop militaire vliegtuigen.
Elke dag was er wel weer een verhaal over een op handen zijnde aanslag met chemische wapens. Ook hoorden wij een gerucht dat er met oud en nieuw een atoombom op New York zou worden gegooid. Een paar van onze collega’s zijn daarop ook echt de stad uit gegaan om het oude jaar uit te luiden tweehonderd kilometer verderop. Wij bleven als “die-hards” in New York met gevaar voor eigen leven.
Laatst schrok ik een keer wakker van helikopters boven ons huis en een soort gerommel in de lucht (dit bleek oud en vertrouwd onweer). Het bleek allemaal niets te betekenen, maar opvallend was dat mijn eerste gedachte niet meer was: de derde wereldoorlog. Ik dacht zelfs niet aan een terroristische aanslag.
Nee, dit keer was mijn angst gefixeerd op de gevolgen van “global warming”. Na de film van Al Gore “an inconvenient truth” (die in 2007 een Oscar won voor beste documentaire) krijg ik bepaalde beelden eenvoudig niet meer uit mijn hoofd. Zo schijnt er een groot ijsblok te liggen op Groenland dat, als het smelt, enorme overstromingen tot gevolg kan hebben. Een soort tsunami keer tien, stel ik me voor. Ik heb begrepen dat bij een dergelijke overstroming onze buurt, de Upper West Side, als enige buurt van Manhattan gespaard zou blijven, maar het blijft vervelend als om ons heen alleen nog maar water is. (Wat me eraan doet denken dat ik een noodrantsoen in huis moet hebben met drinkwater, blikken soep en poedermelk. Gewoon voor het geval dat. Nederland komt overigens helemaal onder water te liggen. Dus als je in Nederland woont, kun je dat noodrantsoen net zo goed laten zitten.)
Bij de verkiezingsdebatten gaat het maar opvallend weinig over global warming, terwijl ik me hier toch ernstig zorgen over maak. In het nieuws wordt het onderwerp (nu ook in de Verenigde Staten) vaker besproken, maar ik krijg toch niet de indruk dat de hele wereld global warming tot topprioriteit heeft gemaakt. Ja, ik zag laatst een televisieboodschap van het Wereld Natuurfonds over een echt superzielige babyijsbeer die in zijn eentje op een schots drijft in de Arctische Oceaan. Door global warming smelt het ijs en verliezen de ijsberen hun habitat. Ik geef toe, ik had tranen in mijn ogen. Aan het eind van het filmpje wordt gevraagd om geld voor een opvangcentrum voor ijsberen. Opvangcentrum voor ijsberen? Hoe zielig ik het ook vind, kunnen we ons niet beter eerst massaal met zijn allen gaan richten op het redden van onze planeet? Maar ja, hoe doe je dat? Op school leert mijn zoontje dat een beter milieu begint bij jezelf. In de praktijk betekent dit dat een beter milieu begint bij, je raadt het al: MOM!
Mijn zoontje neemt een ijskastmagneet mee van school met instructies over gescheiden afval. “Waar is onze groentebak?”, vraagt hij zich af. “En waar gaan de plastic flessen naar toe?” Tja, hier werd ik even direct geconfronteerd met mijn totaal onverantwoordelijk eco-gedrag. (dat gescheiden afval hier niet bepaald wordt gepromoot is uiteraard een laf of eigenlijk gewoon geen excuus). Mama heeft geen groentebak en mama gooit alle plastic flessen in de vuilnisbak. En ja, er is eigenlijk maar één vuilnisbak.
Waar ben ik mee bezig? Ik maak me druk om global warming en ik kan zelf mijn afval niet eens scheiden? Het wordt hoog tijd dat ik mij aansluit bij de nieuwe golf van ECOMom’s!
Onlangs las ik over de nieuwe Ecomoeders: moeders die in groepjes bijeenkomen om te praten over de uitbreiding van hun (toch al vrij lange) to-do lijst met het verzorgen van afvalvrije schoollunches, lobbyen voor groene schoolgebouwen, uitsluitend boodschappen doen bij lokale boeren. Door de technologie is het huishouden een stuk minder tijdrovend geworden, maar voor de ecomoeders is het inmiddels weer een hele klus. New York Times artikel Eco Moms
Door de inspanning voor een groen huishouden houden moeders hun “ecoanxiety” in bedwang. Blijkbaar zijn er dus meer moeders met angstbeelden van smeltende ijskappen! In Callifornië is er zelfs een nieuwe vorm van therapie voor uitgevonden: de ecopsychologie. New York Times artikel Ecopsychologie. Sommige psychologen zijn sceptisch, zelfs in Californië blijkbaar. Zo wordt gevreesd dat teveel op één onderwerp wordt ingezoomd, terwijl de patiënt in kwestie misschien wel last heeft van “general anxiety disorder” (een algemene angststoornis) en zich dus overal zorgen over maakt.
Of moeders nu “general anxiety disorder” hebben of niet, van de moeders die ik hier meemaak lijken er verdomd veel aan dit syndroom te lijden. Ze maken zich overal zorgen over en dus ook over het milieu. Ze voelen zich overal verantwoordelijk voor en dus ook voor het milieu. Het verbaast me dan ook niets dat een fanatieke groene beweging juist begint bij deze moeders.
Het voelt een beetje als het opvangcentrum voor ijsberen. Natuurlijk is het van belang dat iedereen bij zichzelf begint. Dat meen ik echt. En ik vind het slecht dat ik mijn afval niet goed gescheiden aanlever. Maar waarom wordt al deze “ecoanxiety” weer naar binnen gekeerd? Waarom beginnen deze ecomoeders geen politieke lobby om overheid en bedrijven te dwingen strengere regelgeving te produceren én te handhaven? Om het onderwerp nog prominenter dan nu op de politieke agenda te krijgen? Waarom leidt de angst van de ecomoeders weer tot een uitbreiding van haar eigen to-do lijst in plaats van tot een politieke revolutie? Een beter milieu begint bij de ecomoeder, maar het probleem wordt pas echt opgelost als IEDEREEN zich druk gaat maken.
donderdag 28 februari 2008
woensdag 13 februari 2008
Jupiter
Normaal gesproken lees ik liever geen opvoedbladen. Meestal blijkt dat ik iets fout doe of in ieder geval dat er nog een hoop te verbeteren valt. Toch bladerde ik een tijdje geleden bij de tandarts weer eens door het blad “Parenting”. Daar las ik een ingezonden brief van een moeder. Haar zoontje van 1 jaar speelde graag met meisjesspeelgoed en haar man vond dit maar niks. Wat moest ze doen? De “expert” van het blad vond allereerst dat we het beestje maar gewoon bij zijn naam moesten noemen. Haar man vond het maar niks, omdat het spelen met meisjesspeelgoed zijn mannelijkheid bedreigde. Het goede nieuws was dat dit helemaal niet nodig was. Haar man hoefde hier helemaal niet over in te zitten, want “pedagogische experts zeggen dat het spelen met een pop een jongetje niet homo kan maken”. Pfff, de moeder en vooral de vader kunnen opgelucht adem halen.
Mijn zoontje is ook zo’n jongetje dat graag met meisjesspeelgoed speelt. (Overigens speelt hij ook graag met jongensspeelgoed, maar daar zit niemand over in uiteraard.) Zijn lievelingsfilm is The princess and the Pauper, met Barbie in de hoofdrol, en zijn lievelingskledingstuk is een roze rokje van zijn zusje. Uiteraard komt het niet in ons op om hem hiervan te weerhouden. Al zou het hem homo maken: so what??
Wel merk ik dat hij op school steeds meer in een bepaalde richting wordt gestuurd. De school is reuze progressief en de lerares heeft me al verschillende keren bezworen dat jongens en meisje zich mogen verkleden als prinses of als monster, geen enkel probleem. Maar de andere kinderen en hun ouders denken daar anders over. “Pink is for girls”, weet iedereen inmiddels. Op partijtjes krijgen de meisjes allemaal een bordje van “the little mermaid” (een film over een zeemeermin) en de jongens een bordje van “Cars” (een film over auto’s). Waarop vervolgens een moeder, zich verkneukelend, constateert:”It is so amazing how different girls and boys are”.
Nu geloof ik (en weten we) dat jongens en meisjes, mannen en vrouwen, van nature verschillend zijn. Aan de andere kant weten we dat jongens en meisjes op een verschillende manier worden opgevoed. De aloude Nurture/Nature discussie zal waarschijnlijk nooit worden opgelost, al lijkt het erop dat de laatste tijd Nature weer meer de overhand krijgt. Boeken van medische specialisten, zoals “The Female Brain”, geschreven door een vrouwelijke neurochirurg en een bestseller hier in de VS, leggen precies uit waarom het normaal is dat vrouwen voor de kinderen zorgen en altijd tobben en waarom mannen nou eenmaal agressiever maar ook daadkrachtiger zijn. Het zit allemaal in de genen, hormonen, Nature in ieder geval dus.
Veel vrouwen vinden die boeken geweldig. “It explains SO much!”, riep een moeder enthousiast. Ja, het was een ware medische verklaring voor het feit dat zij als thuisblijfmoeder alle zorg voor huishouden en kinderen had, haar man zestig uur per week op zijn werk zat en haar zoontje het huis zo nu en dan afbrak in een aanval van woede.
Ik kan uiteraard de medische kennis van een afgestudeerde van Harvard niet ter discussie stellen. Maar ik herken mezelf en mijn familie vaak helemaal niet in al die beschrijvingen. Zo ben ik een vrouw, maar kan ik helemaal niet goed multitasken, een zogenaamde vrouwelijke kwaliteit. Als ik een interessant gesprek voer tijdens het koken, dan kan je er donder op zeggen dat of het gesprek nergens op slaat of het eten aanbrandt. Mijn man daarentegen is altijd met tien dingen tegelijk bezig. Mijn zoontje is zorgzaam en wil een prinses zijn. Mijn dochtertje pakt het speelgoed dat ze wil heben, waarbij ze het uitschreeuwt als iets of iemand haar tegenhoudt. Een vriendin van mij had hetzelfde als ik. Dat gepraat over mannen van Mars en vrouwen van Venus: "kan het misschien zijn dat ik van Jupiter kom?", vroeg zij zich af.
Het is gevaarlijk als dit soort boeken gaan fungeren als een legitimatie achteraf van een bepaalde rolverdeling. Bovendien geloof ik er niet in dat de invloed van “Nurture” nu opeens zo minimaal blijkt te zijn. Zo las ik onlangs over een onderzoek van Isabella Cherney en Kamala London (psychologen op de Creighton Universiteit en de Universiteit van Toledo). Uit dit onderzoek bleek dat jongens inderdaad meer met jongensspeelgoed spelen en meisjes meer met meisjesspeelgoed. Interessant was echter dat, als jongens werd verteld dat niemand zou zien wat ze zouden kiezen, in het bijzonder hun vader, opeens de helft van de jongens net zo vaak meisjesspeelgoed koos als jongensspeelgoed.
Jongens worden, misschien nog wel meer dan meisjes vastgepind op hun “jongensgedrag”. Een andere beststeller “The dangerous book for boys” is een soort handboek met allerlei spannende “jongens” spelletjes, die met name lijken te verwijzen naar spelletjes uit hun vaders jeugd. Het boek “The daring book for girls”, een reactie hierop, heeft een veel meer diverse inhoud. Zo worden ouderwetse klapspelletjes beschreven, maar ook is er een hoofdstuk “How to negotiate a salary” en “Finance: Interest, Stocks and Bonds”. Politieke correctheid en misschien ook de oprechte drang naar “girl power” zorgen ervoor dat meisjes worden opgevoed om van alle markten thuis te zijn. Voor jongens geldt dit niet. Een meisje kan dus gemakkelijk op voetbal, maar een jongen op ballet blijft een beetje moeizaam. Alhoewel: gelukkig zijn de “experts” het over een ding wel eens: hij wordt er niet homo van!
Mijn zoontje is ook zo’n jongetje dat graag met meisjesspeelgoed speelt. (Overigens speelt hij ook graag met jongensspeelgoed, maar daar zit niemand over in uiteraard.) Zijn lievelingsfilm is The princess and the Pauper, met Barbie in de hoofdrol, en zijn lievelingskledingstuk is een roze rokje van zijn zusje. Uiteraard komt het niet in ons op om hem hiervan te weerhouden. Al zou het hem homo maken: so what??
Wel merk ik dat hij op school steeds meer in een bepaalde richting wordt gestuurd. De school is reuze progressief en de lerares heeft me al verschillende keren bezworen dat jongens en meisje zich mogen verkleden als prinses of als monster, geen enkel probleem. Maar de andere kinderen en hun ouders denken daar anders over. “Pink is for girls”, weet iedereen inmiddels. Op partijtjes krijgen de meisjes allemaal een bordje van “the little mermaid” (een film over een zeemeermin) en de jongens een bordje van “Cars” (een film over auto’s). Waarop vervolgens een moeder, zich verkneukelend, constateert:”It is so amazing how different girls and boys are”.
Nu geloof ik (en weten we) dat jongens en meisjes, mannen en vrouwen, van nature verschillend zijn. Aan de andere kant weten we dat jongens en meisjes op een verschillende manier worden opgevoed. De aloude Nurture/Nature discussie zal waarschijnlijk nooit worden opgelost, al lijkt het erop dat de laatste tijd Nature weer meer de overhand krijgt. Boeken van medische specialisten, zoals “The Female Brain”, geschreven door een vrouwelijke neurochirurg en een bestseller hier in de VS, leggen precies uit waarom het normaal is dat vrouwen voor de kinderen zorgen en altijd tobben en waarom mannen nou eenmaal agressiever maar ook daadkrachtiger zijn. Het zit allemaal in de genen, hormonen, Nature in ieder geval dus.
Veel vrouwen vinden die boeken geweldig. “It explains SO much!”, riep een moeder enthousiast. Ja, het was een ware medische verklaring voor het feit dat zij als thuisblijfmoeder alle zorg voor huishouden en kinderen had, haar man zestig uur per week op zijn werk zat en haar zoontje het huis zo nu en dan afbrak in een aanval van woede.
Ik kan uiteraard de medische kennis van een afgestudeerde van Harvard niet ter discussie stellen. Maar ik herken mezelf en mijn familie vaak helemaal niet in al die beschrijvingen. Zo ben ik een vrouw, maar kan ik helemaal niet goed multitasken, een zogenaamde vrouwelijke kwaliteit. Als ik een interessant gesprek voer tijdens het koken, dan kan je er donder op zeggen dat of het gesprek nergens op slaat of het eten aanbrandt. Mijn man daarentegen is altijd met tien dingen tegelijk bezig. Mijn zoontje is zorgzaam en wil een prinses zijn. Mijn dochtertje pakt het speelgoed dat ze wil heben, waarbij ze het uitschreeuwt als iets of iemand haar tegenhoudt. Een vriendin van mij had hetzelfde als ik. Dat gepraat over mannen van Mars en vrouwen van Venus: "kan het misschien zijn dat ik van Jupiter kom?", vroeg zij zich af.
Het is gevaarlijk als dit soort boeken gaan fungeren als een legitimatie achteraf van een bepaalde rolverdeling. Bovendien geloof ik er niet in dat de invloed van “Nurture” nu opeens zo minimaal blijkt te zijn. Zo las ik onlangs over een onderzoek van Isabella Cherney en Kamala London (psychologen op de Creighton Universiteit en de Universiteit van Toledo). Uit dit onderzoek bleek dat jongens inderdaad meer met jongensspeelgoed spelen en meisjes meer met meisjesspeelgoed. Interessant was echter dat, als jongens werd verteld dat niemand zou zien wat ze zouden kiezen, in het bijzonder hun vader, opeens de helft van de jongens net zo vaak meisjesspeelgoed koos als jongensspeelgoed.
Jongens worden, misschien nog wel meer dan meisjes vastgepind op hun “jongensgedrag”. Een andere beststeller “The dangerous book for boys” is een soort handboek met allerlei spannende “jongens” spelletjes, die met name lijken te verwijzen naar spelletjes uit hun vaders jeugd. Het boek “The daring book for girls”, een reactie hierop, heeft een veel meer diverse inhoud. Zo worden ouderwetse klapspelletjes beschreven, maar ook is er een hoofdstuk “How to negotiate a salary” en “Finance: Interest, Stocks and Bonds”. Politieke correctheid en misschien ook de oprechte drang naar “girl power” zorgen ervoor dat meisjes worden opgevoed om van alle markten thuis te zijn. Voor jongens geldt dit niet. Een meisje kan dus gemakkelijk op voetbal, maar een jongen op ballet blijft een beetje moeizaam. Alhoewel: gelukkig zijn de “experts” het over een ding wel eens: hij wordt er niet homo van!
dinsdag 29 januari 2008
De Iguana en andere Demonen
Vorige week bracht ik met mijn gezin een weekje door in een tropische setting: Caribische zon, strand, palmen, een soort Bounty eiland. Normaal gesproken zijn R (mijn man) en ik niet bepaald strandtypes. Vijf jaar geleden hadden we je uitgelachen als je ons had verteld dat we uit vrije wil in een all-inclusive resort zouden gaan zitten. (met een armbandje!) Maar met kinderen zie je alles opeens in een ander licht. Dit resort had namelijk een “award-winning kids club”, waar kinderen van 4 maanden tot 10 jaar kunnen worden gebracht van 9 tot 5. Vrij aanlokkelijk voor twee ouders met een chronisch slaaptekort. Bovendien werd het op Amerikaanse websites omschreven als “too French”, wat uiteraard niets dan goeds betekent.
Dus boekten we een week vakantie in dit resort en verheugden we ons op de margarita die we samen op het strand zouden drinken, de boeken die we zouden gaan lezen en de vele dutjes die we zouden doen, terwijl onze kinderen in de kids club zouden genieten van vermaak op hoog niveau.
Onze kleine T is nog maar een baby en kan dus niet veel bezwaar maken. Maar er zijn natuurlijk wel tekenen waaraan je kunt zien of ze het wel of niet naar haar zin heeft. Ze huilde niet, ze lachte als ze de juffen zag en rolde giechelend over de grond, als ze zich niet overgaf aan twee uur lang durende slaapjes in de ruimte met aironditioning. We hadden dus wel een indicatie dat het goed ging. En J is al bijna vier jaar, dus dat zou sowieso geen problemen geven. Of toch…?
De volgende dag zat ik met J in een ruimte met tien huilende 3-jarigen om afscheid van hem te nemen en vroeg ik me af of dit nou de bedoeling was. Die kinderen hadden toch ook vakantie? Men verzekerde mij dat het over zou zijn na mijn vertrek, maar ook ‘s middags als de ouders aan het genieten waren van een partijtje golf, een snorkeluitje, of gewoon een pina colada aan het strand, zag ik toch verdacht veel huilende kinderen om hun “mummy” roepen als we langs de kids club liepen.
Met een enorm brok in mijn keel duwde ik J’s handen van mij af en liet ik hem achter. Ik wilde me graag vermannen en het tijd geven, want ik zou zo graag nou eindelijk een keer mijn boek willen uitlezen. Al was het maar voor twee uurtjes…? Waarom waren we anders naar dit resort gegaan? We hebben nooit een break met al onze familie in Nederland en weinig oppas. Please, I NEED THIS! Echt lekker zat ik uiteraard niet te lezen met het beeld van de verdrietige J in mijn hoofd. Na een paar uur haalden we hem weer op en nu vertelde hij dat hij niet meer wilde. We spraken af om het nog een keer te proberen.
Maar de volgende ochtend gilde J moord en brand en rende hij letterlijk de kids club uit, huilend en trappelend en doodsbang. Je zou wel een ijskoud hart moeten hebben om dit betraande, totaal doorgedraaide jongetje nog een dag langer in de kids club te laten. Dus dat was het. Een uur later zaten we met J op het strand. “Mama, wil je mij nu helpen met mijn zandkasteel?” (we zijn nog onze spullen aan het uitpakken) “Mama, je hebt al te lang in je boek gelezen” (vijf minuten) “Mama, ik wil niet zwemmen in de zee, want dan varen er boten over mij heen”.
Ik besloot een excursie te boeken om met J samen naar een dierentuin in de buurt te gaan. De dierentuin was op twintig minuten rijden en beloofden een bijzondere collectie exotische dieren en excentrieke shows. Bij aankomst bleek dat deze dierentuin inderdaad een aantal exotische dieren had: flamingo’s, pagegaaien, toekans.
De hoofdattractie bleek echter te zijn een enorme hoeveelheid iguana’s, een soort kruising tussen een hagedis en een krokodil. Via een trap kon je op een brug komen over de “iguana crossing”. Onder ons zagen we tientallen van deze griezelige reuzehagedissen. Het zou een scene kunnen zijn in een griezelfilm “the return of the iguana’s” of “iguana’s on the loose”. Niet bepaald lief of knuffelbaar en ook niet zo zeer een hit bij de kinderen. J was dan ook niet echt enthousiast en daarom brachten we een uur bij de flamingo’s door die mooi roze zijn en heel lang kunnen slapen op een been. Nogal indrukwekkend, vond J.
De lunch moesten we nuttigen met onze excursiegenoten. J was inmiddels in zijn nopjes met dit tripje en het werd nog beter toen er frietjes met ketchup bij de lunch zaten. Tevreden begonnen we te eten, toen we een grote, hongerige iguana naast ons zagen zitten. J gilde en sprong op mijn schoot. Ik was zelf eigenlijk ook geschrokken, maar onze tafelgenoten leken onaangedaan. Een gezin uit Texas dat burger na burger naar binnen zat te werken. “I hate iguana’s”, zei de onverzorgde moeder tussen twee happen door. Ha, een medestander, dacht ik. “My son used to have one in his room. They stink, Yuk!”
De kinderen aaiden de iguana nog net niet, maar waren totaal niet onder de indruk en aten hun lunch. J bleef echter gillen en inmiddels ook huilen elke keer als de iguana dichterbij kwam. Ik was gaan staan en tilde hem, terwijl ik hem frietjes voerde. “Ik ben geen honger meer!” (Amerikaans Nederlands), wist hij zeker. “Ik wil niet meer bij de iguana, mama. Ik wil weg!!!” Ik wist me geen raad. Stond met een zware J in mijn handen en een bord frietjes voor ons, terwijl iedereen ons aankeek alsof wij volslagen gestoord waren. Vond dan niemand die iguana ook maar een beetje eng? “J, liefje, de iguana doet echt niets. Laten we gewoon onze lunch opeten”, zei ik halfhartig in de hoop dat de iguana vanzelf weer weg zou gaan.
Maar hij ging natuurlijk niet weg, zo lang de lunch nog op tafel zou staan. Ik besloot dan maar een belachelijk figuur te slaan en weg te lopen zonder ons eten. Ik weet zeker dat iedereen keihard moest lachen toen we weg waren.
Ik kocht bij de snackbar twee ijsjes en bovenop een trap zonder iguana gevaar aten we die in alle rust op. J bedankte mij voor deze daad met aanbiddelijk gedrag en veel knuffels.
Na deze ijsjeslunch volgde nog een bizarre show met papegaaien op fietsen en in autos’, vooraf gegaan door leden van de lokale bevolking die sexy dansjes opvoerden die nergens op sloegen maar wellicht de kans op een fooi verhoogden.
Toen we “thuis” kwamen in het resort vertelde J alles aan papa en aan T, die vrolijk kraaide en een diploma had gekregen van de kids club. Uiteraard was vooral de iguana het gesprek van de dag. Die avond werd J door zijn papa in het babybadje gewassen, omdat de douche te eng was. (de douche kan hem wegspoelen?)
Toen ik hem welterusten kuste, vroeg ik wat hij het leukste van de dag vond. “De flamingo’s, maar niet de iguana, mama. Die vond ik eng.” Ik verklapte dat ik de iguana zelf eigenlijk ook wel een beetje eng vond. Dat verbaasde hem. “Maar mama, jij kan helemaal niet bang zijn. Jij bent high in the sky, een groot mens.”
Dus hadden we een belangrijk gesprek over hoe grote mensen ook heel bang kunnen zijn. En over hoe je soms toch dingen doet die je eng vindt en dan opeens trots bent. Of hoe je soms besluit om geen enge dingen te doen en je lunch aan de iguana laat.
Dus boekten we een week vakantie in dit resort en verheugden we ons op de margarita die we samen op het strand zouden drinken, de boeken die we zouden gaan lezen en de vele dutjes die we zouden doen, terwijl onze kinderen in de kids club zouden genieten van vermaak op hoog niveau.
Onze kleine T is nog maar een baby en kan dus niet veel bezwaar maken. Maar er zijn natuurlijk wel tekenen waaraan je kunt zien of ze het wel of niet naar haar zin heeft. Ze huilde niet, ze lachte als ze de juffen zag en rolde giechelend over de grond, als ze zich niet overgaf aan twee uur lang durende slaapjes in de ruimte met aironditioning. We hadden dus wel een indicatie dat het goed ging. En J is al bijna vier jaar, dus dat zou sowieso geen problemen geven. Of toch…?
De volgende dag zat ik met J in een ruimte met tien huilende 3-jarigen om afscheid van hem te nemen en vroeg ik me af of dit nou de bedoeling was. Die kinderen hadden toch ook vakantie? Men verzekerde mij dat het over zou zijn na mijn vertrek, maar ook ‘s middags als de ouders aan het genieten waren van een partijtje golf, een snorkeluitje, of gewoon een pina colada aan het strand, zag ik toch verdacht veel huilende kinderen om hun “mummy” roepen als we langs de kids club liepen.
Met een enorm brok in mijn keel duwde ik J’s handen van mij af en liet ik hem achter. Ik wilde me graag vermannen en het tijd geven, want ik zou zo graag nou eindelijk een keer mijn boek willen uitlezen. Al was het maar voor twee uurtjes…? Waarom waren we anders naar dit resort gegaan? We hebben nooit een break met al onze familie in Nederland en weinig oppas. Please, I NEED THIS! Echt lekker zat ik uiteraard niet te lezen met het beeld van de verdrietige J in mijn hoofd. Na een paar uur haalden we hem weer op en nu vertelde hij dat hij niet meer wilde. We spraken af om het nog een keer te proberen.
Maar de volgende ochtend gilde J moord en brand en rende hij letterlijk de kids club uit, huilend en trappelend en doodsbang. Je zou wel een ijskoud hart moeten hebben om dit betraande, totaal doorgedraaide jongetje nog een dag langer in de kids club te laten. Dus dat was het. Een uur later zaten we met J op het strand. “Mama, wil je mij nu helpen met mijn zandkasteel?” (we zijn nog onze spullen aan het uitpakken) “Mama, je hebt al te lang in je boek gelezen” (vijf minuten) “Mama, ik wil niet zwemmen in de zee, want dan varen er boten over mij heen”.
Ik besloot een excursie te boeken om met J samen naar een dierentuin in de buurt te gaan. De dierentuin was op twintig minuten rijden en beloofden een bijzondere collectie exotische dieren en excentrieke shows. Bij aankomst bleek dat deze dierentuin inderdaad een aantal exotische dieren had: flamingo’s, pagegaaien, toekans.
De hoofdattractie bleek echter te zijn een enorme hoeveelheid iguana’s, een soort kruising tussen een hagedis en een krokodil. Via een trap kon je op een brug komen over de “iguana crossing”. Onder ons zagen we tientallen van deze griezelige reuzehagedissen. Het zou een scene kunnen zijn in een griezelfilm “the return of the iguana’s” of “iguana’s on the loose”. Niet bepaald lief of knuffelbaar en ook niet zo zeer een hit bij de kinderen. J was dan ook niet echt enthousiast en daarom brachten we een uur bij de flamingo’s door die mooi roze zijn en heel lang kunnen slapen op een been. Nogal indrukwekkend, vond J.
De lunch moesten we nuttigen met onze excursiegenoten. J was inmiddels in zijn nopjes met dit tripje en het werd nog beter toen er frietjes met ketchup bij de lunch zaten. Tevreden begonnen we te eten, toen we een grote, hongerige iguana naast ons zagen zitten. J gilde en sprong op mijn schoot. Ik was zelf eigenlijk ook geschrokken, maar onze tafelgenoten leken onaangedaan. Een gezin uit Texas dat burger na burger naar binnen zat te werken. “I hate iguana’s”, zei de onverzorgde moeder tussen twee happen door. Ha, een medestander, dacht ik. “My son used to have one in his room. They stink, Yuk!”
De kinderen aaiden de iguana nog net niet, maar waren totaal niet onder de indruk en aten hun lunch. J bleef echter gillen en inmiddels ook huilen elke keer als de iguana dichterbij kwam. Ik was gaan staan en tilde hem, terwijl ik hem frietjes voerde. “Ik ben geen honger meer!” (Amerikaans Nederlands), wist hij zeker. “Ik wil niet meer bij de iguana, mama. Ik wil weg!!!” Ik wist me geen raad. Stond met een zware J in mijn handen en een bord frietjes voor ons, terwijl iedereen ons aankeek alsof wij volslagen gestoord waren. Vond dan niemand die iguana ook maar een beetje eng? “J, liefje, de iguana doet echt niets. Laten we gewoon onze lunch opeten”, zei ik halfhartig in de hoop dat de iguana vanzelf weer weg zou gaan.
Maar hij ging natuurlijk niet weg, zo lang de lunch nog op tafel zou staan. Ik besloot dan maar een belachelijk figuur te slaan en weg te lopen zonder ons eten. Ik weet zeker dat iedereen keihard moest lachen toen we weg waren.
Ik kocht bij de snackbar twee ijsjes en bovenop een trap zonder iguana gevaar aten we die in alle rust op. J bedankte mij voor deze daad met aanbiddelijk gedrag en veel knuffels.
Na deze ijsjeslunch volgde nog een bizarre show met papegaaien op fietsen en in autos’, vooraf gegaan door leden van de lokale bevolking die sexy dansjes opvoerden die nergens op sloegen maar wellicht de kans op een fooi verhoogden.
Toen we “thuis” kwamen in het resort vertelde J alles aan papa en aan T, die vrolijk kraaide en een diploma had gekregen van de kids club. Uiteraard was vooral de iguana het gesprek van de dag. Die avond werd J door zijn papa in het babybadje gewassen, omdat de douche te eng was. (de douche kan hem wegspoelen?)
Toen ik hem welterusten kuste, vroeg ik wat hij het leukste van de dag vond. “De flamingo’s, maar niet de iguana, mama. Die vond ik eng.” Ik verklapte dat ik de iguana zelf eigenlijk ook wel een beetje eng vond. Dat verbaasde hem. “Maar mama, jij kan helemaal niet bang zijn. Jij bent high in the sky, een groot mens.”
Dus hadden we een belangrijk gesprek over hoe grote mensen ook heel bang kunnen zijn. En over hoe je soms toch dingen doet die je eng vindt en dan opeens trots bent. Of hoe je soms besluit om geen enge dingen te doen en je lunch aan de iguana laat.
dinsdag 15 januari 2008
One of them
In de film “Little Children” zit de prachtige Kate Winslet met haar dochter in de speeltuin. Ze kijkt van een grote afstand naar de andere moeders. Trieste, ingekakte dames zonder sex appeal, die leven op de klok van de telkens terugkerende evenementen van “breakfast”, “snacktime” en “naptime”. Gruwelijk, denk je als kijker mee met de aantrekkelijke Kate. Het lijkt wel een gevangenis. Nee, dan liever de spanning en sensatie die zij zoekt, zoals een vrijpartij met een onweerstaanbaar sexy thuisblijfvader (ja, ik weet het, dit klinkt ongeloofwaardig, maar in het suburbia van Kate loopt er blijkbaar toch eentje rond) in het washok van zijn huis.
Nou maak ik zelf dit soort sappige episodes bepaald niet mee, maar ik begrijp wel de antropologenblik van Kate Winslet in de zandbak. Op de een of andere manier wil ik de moeders van de Upper West Side (de buurt waar ik woon) wel bestuderen, maar van een afstand. Ik wil er zelf geen onderdeel van worden.
Een vriendin van mij is Cubaanse, woont in New Jersey en geeft Spaanse les aan Upper West Side dames. Toen ik hier net kwam wonen, gingen we samen lunchen en zaten we te lachen om die verwende moeders met hun fulltime nanny’s, hun housekeepers en hun wekelijkse bezoekjes aan kapper, masseur en nagelstudio. Op een gegeven moment vroeg ik me bezorgd af of ik het hier wel naar mijn zin zou krijgen. Ik woonde toch ook aan diezelfde Upper West Side. Mijn vriendin vond dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. “Just do not become one of them”, was haar advies. En af en toe hoor ik een stemmetje in mijn hoofd haar advies herhalen:
Do not become one of them. Word niet zo’n hysterische, overgeorganiseerde moeder die alleen nog maar over haar kinderen kan praten, haar man als een buitenaards wezen bespreekt en joggend achter de kinderwagen haar kinderen naar school brengt. Word niet zo’n verwende, neurotische Upper West Side vrouw met een verbeten trek op haar gezicht en een onvermogen om adem te halen (behalve tijdens haar yoga klas).
Kate Winslet in “Little Children” probeert zich te onttrekken aan het lege leven van de Amerikaanse suburbs (a la “American Beauty”), maar tegelijkertijd ook aan het moederschap zelf. Op het eind van de film brengt ze haar dochter zelfs in gevaar door haar eigen drang naar vrijheid. Dan keert ze op haar schreden terug en kiest voor haar kind, kiest voor het moederschap in suburbia.
En daar zit hem misschien wel de kneep. Om echt te aarden in een nieuw land, in een nieuwe stad, in een nieuwe cultuur, moet je voor een deel ook wél “one of them” worden. Niet alles hoef je over te nemen natuurlijk, maar je kunt ook niet altijd aan de zijlijn blijven en alles slechts hoogst interessant vinden.
Dus verschuif je telkens een piepklein stukje. Elke week je nagels laten doen; dat is toch eigenlijk wel verzorgd? Zo’n massage kan op zijn tijd enorm ontspannend zijn. En een fulltime nanny is misschien wat veel, maar parttime is het misschien toch het overwegen waard? Help: I become one of them!!!
Nou maak ik zelf dit soort sappige episodes bepaald niet mee, maar ik begrijp wel de antropologenblik van Kate Winslet in de zandbak. Op de een of andere manier wil ik de moeders van de Upper West Side (de buurt waar ik woon) wel bestuderen, maar van een afstand. Ik wil er zelf geen onderdeel van worden.
Een vriendin van mij is Cubaanse, woont in New Jersey en geeft Spaanse les aan Upper West Side dames. Toen ik hier net kwam wonen, gingen we samen lunchen en zaten we te lachen om die verwende moeders met hun fulltime nanny’s, hun housekeepers en hun wekelijkse bezoekjes aan kapper, masseur en nagelstudio. Op een gegeven moment vroeg ik me bezorgd af of ik het hier wel naar mijn zin zou krijgen. Ik woonde toch ook aan diezelfde Upper West Side. Mijn vriendin vond dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. “Just do not become one of them”, was haar advies. En af en toe hoor ik een stemmetje in mijn hoofd haar advies herhalen:
Do not become one of them. Word niet zo’n hysterische, overgeorganiseerde moeder die alleen nog maar over haar kinderen kan praten, haar man als een buitenaards wezen bespreekt en joggend achter de kinderwagen haar kinderen naar school brengt. Word niet zo’n verwende, neurotische Upper West Side vrouw met een verbeten trek op haar gezicht en een onvermogen om adem te halen (behalve tijdens haar yoga klas).
Kate Winslet in “Little Children” probeert zich te onttrekken aan het lege leven van de Amerikaanse suburbs (a la “American Beauty”), maar tegelijkertijd ook aan het moederschap zelf. Op het eind van de film brengt ze haar dochter zelfs in gevaar door haar eigen drang naar vrijheid. Dan keert ze op haar schreden terug en kiest voor haar kind, kiest voor het moederschap in suburbia.
En daar zit hem misschien wel de kneep. Om echt te aarden in een nieuw land, in een nieuwe stad, in een nieuwe cultuur, moet je voor een deel ook wél “one of them” worden. Niet alles hoef je over te nemen natuurlijk, maar je kunt ook niet altijd aan de zijlijn blijven en alles slechts hoogst interessant vinden.
Dus verschuif je telkens een piepklein stukje. Elke week je nagels laten doen; dat is toch eigenlijk wel verzorgd? Zo’n massage kan op zijn tijd enorm ontspannend zijn. En een fulltime nanny is misschien wat veel, maar parttime is het misschien toch het overwegen waard? Help: I become one of them!!!
donderdag 10 januari 2008
The Experts
Met een lange wintervakantie in het vooruitzicht werd door een aantal moeders een “playdate”voorgesteld met J (die nu 3 en een half is). Die suggestie lijkt aanlokkelijk. Natuurlijk had ik ontzettend veel zin om lekker met het gezin voor de kerstboom te zitten, leuke dingen te gaan doen en het oude jaar uit te luiden. Aan de andere kant was er ook ergens een visioen van verveling, dreinen, lang binnen zitten, een overdosis televisie, leuke uitjes voor een driejarige die plaatsvinden tijdens de slaaptijd van een baby, een oppas die de hele vakantie niet kan. Heerlijk als je kind dan even een paar uurtjes uit spelen gaat bij een vriendje of vriendinnetje. De ene moeder een paar uurtjes vrij (dat wil zeggen: met één kind in plaats van twee), en de volgende keer de andere moeder een paar uurtjes vrij. Heerlijk toch?
Maar zo zit het concept van een playdate hier helaas niet in elkaar. Een playdate is helemaal geen paar uurtjes vrij voor de moeder. Als moeder word je namelijk geacht mee te gaan naar een playdate, omdat je op die manier jouw kind allemaal wijze lessen kan bijbrengen tijdens het spelen. Die wijze lessen komen meestal uit de meest recente “parenting manuals”.
Op de eerste playdate stelde J (gekleed in het roze rokje van zijn zusje, dat plotseling zijn lievelingskledingstuk is geworden) aan zijn vriendje voor om in het keukentje te gaan koken. “I love it when boys develop their feminine side!”riep de moeder. Ze vertelde dat haar man nog geen ei kon bakken, maar dat ze haar zoontje graag wat meer geëmancipeerd zou willen opvoeden. Onmiddellijk ging ze ernaast zitten en deed haar bestelling in het “pretend-restaurant”van onze aanbiddelijke zoontjes. Haar zoontje had zijn “feminine side”echter duidelijk iets minder ontwikkeld. Na een eerst enthousiaste “hug” ramde hij er lustig op los: op J dus. En hij sloeg best hard. J was voortdurend aan het huilen: “He hit me!” Nou denk je als moeder al snel dat het andere kind veel vervelender is dan jouw kind, maar in dit geval wist ik het zeker. Bij een playdate onttrekt namelijk niets zich aan het oog van de moeders.
Misschien toch wel goed dat ze mee is gegaan, dacht ik nog. De moeder nam haar zoontje telkens apart en sprak hem bezwerend toe: “Why did you do that? That is not nice. J is your friend! (lange uithaal) Are you hungry? Yes, I think you are hungry. Or tired? Oh, you must be so tired!” Het was tien uur ‘s ochtends, maar blijkbaar was deze kleine bulldozer al uitgeput? Ze bleef zich maar tegenover mij verontschuldigen. Ik begon op de klok te kijken om te zien hoe lang dit nog zou moeten gaan duren.
Toen het boze jongetje daarna niet het juiste koekje kreeg als snack, besloot hij zich helemaal over te geven aan een driftaanval, een “tantrum” heet dat hier. Zijn moeder bleef hem omhelzen en rustig toespreken. “What do you want, honey? No, do not hit mommy. Do you want to play with the trains?” (“divert the tantrum” heet dat, je schijnt zo’n driftaanval te moeten “omleiden” naar een andere stemming)
Ze moest toch koken van woede. Maar omdat de moeder niet boos werd en ik des te bozer, deed ik toen iets wat hier een grote VERBODEN DAAD is. Ik pakte de kleine bulldozer bij zijn schouders en keek hem aan: “There is NO HITTING in this house”, zei ik met boze stem. “If you do that one more time, the playdate is OVER!” Hij leek hiervan even zo geschrokken dat ze daarna een tijdje redelijk lief gingen spelen met de treinen.
Ik was bang dat ze het niet op prijs stelde, want het aanspreken van andermans kind is niet bepaald gebruikelijk. Misschien vond ze het wel vervelend, maar ze zei niets. Misschien was ze wel blij verrast. (niet mijn verdienste overigens: vreemde ogen dwingen nou eenmaal) Hoe dan ook, de driftaanval was gelukkig “omgeleid”.
Wij dronken onze koffie. Uiteraard naast de kindjes op de grond. In de oase van relatieve rust begon ze te vertellen hoe ze zich verdiepte in de psyche van haar zoontje. Dat dit gedrag neurologisch helemaal klopte, dat had ze gelezen in haar laatste boek. En dat haar zoontje J juist leuk vond en ze juist zoveel op elkaar leken… En dat hij daarom soms zo bazig kon zijn.
Een andere moeder had thuis een ware bibliotheek aangelegd van boeken die het gedrag van haar peuter verklaarden. “It explains SO much!”, vertelde ze blij. Haar dochter schreeuwde twee uur lang het hele huis bij elkaar. Dit keer durfde ik niet in te grijpen.
Bij een andere playdate rende de moeder, die net een tweede kindje had gekregen, het huis rond om te voetballen, haar postnatale buik nog zwabberend van de bevalling. “Als je even wil zitten? Ben je niet een beetje moe?”vroeg ik. “No, I feel GREAT!”, riep ze en ze was helemaal niet moe. Ze wilde gewoon intensief tijd besteden met haar dochter, omdat ze over tien dagen weer naar haar fulltime baan moest… Ze had gelezen dat het belangrijk was om vooral je oudste niet het gevoel te geven dat ze nu op de tweede plaats komt.
Tijdens weer een andere playdate vroeg een moeder zich af waarom haar dochter toch altijd wilde rennen. (omdat ze 3 jaar is?) Ze had daar nu een en ander over gelezen en haar dochter zou naar een soort atletiekclubje gaan om haar behoefte aan rennen te bevredigen.
De playdates van deze wintervakantie hebben in ieder geval weer een hoop kennis opgeleverd uit de laatste “parenting manuals”. Natuurlijk zijn we allemaal af en toe onzeker of we het wel goed doen. Waarom wordt mijn dochtertje altijd om vijf uur wakker? Waarom wil mijn zoontje uitsluitend pasta eten? Waarom is mijn dochter soms zo boos? Waarom, waarom, waarom? En vooral: wat kan ik eraan doen?
Ik kan me zo voorstellen dat in een dorp in vroegere tijden (ik zie meteen een soort Anton Pieck tafereeltje voor me…) ouders, zussen en ook de buren een handje meehielpen in de opvoeding. Dat tips en adviezen werden uitgewisseld tijdens het ophangen van de was. Dat een tante ook kon ingrijpen als een kind zich misdroeg. Of een buurvrouw. En dat dit niet werd gezien als verboden bemoeizucht, maar als hulp. In feite zou deze hulp nog steeds van harte welkom zijn. Zoals de titel van het boek van Hillary Clinton uit 1996 al zei: “It takes a village” (to raise a child) (It takes a Village)
De moderne moeder in de grote stad heeft echter een boekenkast vol met adviezen van zogenaamde experts; verder staat ze er alleen voor. De adviezen uit de boeken gaan toch wel erg vaak in de richting van onvoorwaardelijk begrip voor de leefwereld van het kind en weinig begrip voor de leefwereld van de moeder. Het kan misschien geruststellend zijn om te weten dat het vaker voorkomt dat een jongetje van drie driftaanvallen heeft. Maar ondertussen zit de moeder er midden in. En wordt ze er gek van! Bovendien suggereren al die boeken dat een moeder een enorme invloed kan uitoefenen op de ontwikkeling van haar kind. En dat ze er dus in feite verplicht continu moet ZIJN voor haar kind. Niet alleen fysiek, maar vooral ook emotioneel. Zo legde een moeder aan een vriendin uit hoe zij het redde met haar zeer jonge kinderen: “I just do not sleep” Haar “me-time” was van 3 tot 5 ’s nachts met de baby aan de borst. Ongetwijfeld is deze leefstijl ook ergens in een handboek aangeraden.
In zijn boek “Paranoid Parenting” uit 2002 schreef Frank Furedi al dat het misschien wel het beste voor je kind is om alle adviezen van de experts te negeren. (Paranoid Parenting) Moeten we niet eens gaan leren dat wij zelf de beste experts zijn? En vooral dat we niet zulke rare eisen aan onszelf moeten stellen? Misschien onze kinderen soms gewoon wat meer met rust laten tijdens het spelen en alleen ingrijpen in noodgevallen? Dan kunnen we misschien een keer een gesprekje over onszelf voeren tijdens ons kopje koffie?
De wintervakantie is voorbij en ik heb een pauze ingelast. De komende tijd even geen playdates meer!
Maar zo zit het concept van een playdate hier helaas niet in elkaar. Een playdate is helemaal geen paar uurtjes vrij voor de moeder. Als moeder word je namelijk geacht mee te gaan naar een playdate, omdat je op die manier jouw kind allemaal wijze lessen kan bijbrengen tijdens het spelen. Die wijze lessen komen meestal uit de meest recente “parenting manuals”.
Op de eerste playdate stelde J (gekleed in het roze rokje van zijn zusje, dat plotseling zijn lievelingskledingstuk is geworden) aan zijn vriendje voor om in het keukentje te gaan koken. “I love it when boys develop their feminine side!”riep de moeder. Ze vertelde dat haar man nog geen ei kon bakken, maar dat ze haar zoontje graag wat meer geëmancipeerd zou willen opvoeden. Onmiddellijk ging ze ernaast zitten en deed haar bestelling in het “pretend-restaurant”van onze aanbiddelijke zoontjes. Haar zoontje had zijn “feminine side”echter duidelijk iets minder ontwikkeld. Na een eerst enthousiaste “hug” ramde hij er lustig op los: op J dus. En hij sloeg best hard. J was voortdurend aan het huilen: “He hit me!” Nou denk je als moeder al snel dat het andere kind veel vervelender is dan jouw kind, maar in dit geval wist ik het zeker. Bij een playdate onttrekt namelijk niets zich aan het oog van de moeders.
Misschien toch wel goed dat ze mee is gegaan, dacht ik nog. De moeder nam haar zoontje telkens apart en sprak hem bezwerend toe: “Why did you do that? That is not nice. J is your friend! (lange uithaal) Are you hungry? Yes, I think you are hungry. Or tired? Oh, you must be so tired!” Het was tien uur ‘s ochtends, maar blijkbaar was deze kleine bulldozer al uitgeput? Ze bleef zich maar tegenover mij verontschuldigen. Ik begon op de klok te kijken om te zien hoe lang dit nog zou moeten gaan duren.
Toen het boze jongetje daarna niet het juiste koekje kreeg als snack, besloot hij zich helemaal over te geven aan een driftaanval, een “tantrum” heet dat hier. Zijn moeder bleef hem omhelzen en rustig toespreken. “What do you want, honey? No, do not hit mommy. Do you want to play with the trains?” (“divert the tantrum” heet dat, je schijnt zo’n driftaanval te moeten “omleiden” naar een andere stemming)
Ze moest toch koken van woede. Maar omdat de moeder niet boos werd en ik des te bozer, deed ik toen iets wat hier een grote VERBODEN DAAD is. Ik pakte de kleine bulldozer bij zijn schouders en keek hem aan: “There is NO HITTING in this house”, zei ik met boze stem. “If you do that one more time, the playdate is OVER!” Hij leek hiervan even zo geschrokken dat ze daarna een tijdje redelijk lief gingen spelen met de treinen.
Ik was bang dat ze het niet op prijs stelde, want het aanspreken van andermans kind is niet bepaald gebruikelijk. Misschien vond ze het wel vervelend, maar ze zei niets. Misschien was ze wel blij verrast. (niet mijn verdienste overigens: vreemde ogen dwingen nou eenmaal) Hoe dan ook, de driftaanval was gelukkig “omgeleid”.
Wij dronken onze koffie. Uiteraard naast de kindjes op de grond. In de oase van relatieve rust begon ze te vertellen hoe ze zich verdiepte in de psyche van haar zoontje. Dat dit gedrag neurologisch helemaal klopte, dat had ze gelezen in haar laatste boek. En dat haar zoontje J juist leuk vond en ze juist zoveel op elkaar leken… En dat hij daarom soms zo bazig kon zijn.
Een andere moeder had thuis een ware bibliotheek aangelegd van boeken die het gedrag van haar peuter verklaarden. “It explains SO much!”, vertelde ze blij. Haar dochter schreeuwde twee uur lang het hele huis bij elkaar. Dit keer durfde ik niet in te grijpen.
Bij een andere playdate rende de moeder, die net een tweede kindje had gekregen, het huis rond om te voetballen, haar postnatale buik nog zwabberend van de bevalling. “Als je even wil zitten? Ben je niet een beetje moe?”vroeg ik. “No, I feel GREAT!”, riep ze en ze was helemaal niet moe. Ze wilde gewoon intensief tijd besteden met haar dochter, omdat ze over tien dagen weer naar haar fulltime baan moest… Ze had gelezen dat het belangrijk was om vooral je oudste niet het gevoel te geven dat ze nu op de tweede plaats komt.
Tijdens weer een andere playdate vroeg een moeder zich af waarom haar dochter toch altijd wilde rennen. (omdat ze 3 jaar is?) Ze had daar nu een en ander over gelezen en haar dochter zou naar een soort atletiekclubje gaan om haar behoefte aan rennen te bevredigen.
De playdates van deze wintervakantie hebben in ieder geval weer een hoop kennis opgeleverd uit de laatste “parenting manuals”. Natuurlijk zijn we allemaal af en toe onzeker of we het wel goed doen. Waarom wordt mijn dochtertje altijd om vijf uur wakker? Waarom wil mijn zoontje uitsluitend pasta eten? Waarom is mijn dochter soms zo boos? Waarom, waarom, waarom? En vooral: wat kan ik eraan doen?
Ik kan me zo voorstellen dat in een dorp in vroegere tijden (ik zie meteen een soort Anton Pieck tafereeltje voor me…) ouders, zussen en ook de buren een handje meehielpen in de opvoeding. Dat tips en adviezen werden uitgewisseld tijdens het ophangen van de was. Dat een tante ook kon ingrijpen als een kind zich misdroeg. Of een buurvrouw. En dat dit niet werd gezien als verboden bemoeizucht, maar als hulp. In feite zou deze hulp nog steeds van harte welkom zijn. Zoals de titel van het boek van Hillary Clinton uit 1996 al zei: “It takes a village” (to raise a child) (It takes a Village)
De moderne moeder in de grote stad heeft echter een boekenkast vol met adviezen van zogenaamde experts; verder staat ze er alleen voor. De adviezen uit de boeken gaan toch wel erg vaak in de richting van onvoorwaardelijk begrip voor de leefwereld van het kind en weinig begrip voor de leefwereld van de moeder. Het kan misschien geruststellend zijn om te weten dat het vaker voorkomt dat een jongetje van drie driftaanvallen heeft. Maar ondertussen zit de moeder er midden in. En wordt ze er gek van! Bovendien suggereren al die boeken dat een moeder een enorme invloed kan uitoefenen op de ontwikkeling van haar kind. En dat ze er dus in feite verplicht continu moet ZIJN voor haar kind. Niet alleen fysiek, maar vooral ook emotioneel. Zo legde een moeder aan een vriendin uit hoe zij het redde met haar zeer jonge kinderen: “I just do not sleep” Haar “me-time” was van 3 tot 5 ’s nachts met de baby aan de borst. Ongetwijfeld is deze leefstijl ook ergens in een handboek aangeraden.
In zijn boek “Paranoid Parenting” uit 2002 schreef Frank Furedi al dat het misschien wel het beste voor je kind is om alle adviezen van de experts te negeren. (Paranoid Parenting) Moeten we niet eens gaan leren dat wij zelf de beste experts zijn? En vooral dat we niet zulke rare eisen aan onszelf moeten stellen? Misschien onze kinderen soms gewoon wat meer met rust laten tijdens het spelen en alleen ingrijpen in noodgevallen? Dan kunnen we misschien een keer een gesprekje over onszelf voeren tijdens ons kopje koffie?
De wintervakantie is voorbij en ik heb een pauze ingelast. De komende tijd even geen playdates meer!
woensdag 26 december 2007
dinsdag 18 december 2007
Unfinished Business
Toen ik zeven jaar geleden op Manhattan werkte als advocaat, was ik diep onder de indruk van het arbeidsethos in deze stad. Iedereen werkte veel en hard. Ook het aantal vrouwen met serieuze carrièrebanen, inclusief moeders, vond ik opvallend hoog. Inspirerend voor mij om vrouwelijke rolmodellen te hebben en een voorbeeld voor Nederland, vond ik. In Nederland zag ik in de advocatuur nauwelijks vrouwelijke partners; hier in New York waren dat er een stuk meer.
Ik verkondigde dan ook aan iedereen hoe vrouwen hier zoveel meer geëmancipeerd waren. In Nederland ergerde ik me eraan dat al die hoogopgeleide vrouwen hun carrière aan de wilgen hingen na het krijgen van kinderen door te gaan werken in kleine, parttime baantjes. Niet nodig, dacht ik. Wat zaten die vrouwen de hele dag te doen? Soaps te kijken? Zonde: wat een kapitaalvernietiging. Heb je eerst al die jaren besteed aan een goede opleiding en werkervaring. Komt puntje bij paaltje, stap je uit de race. Gewoon een schoonmaakster nemen, goede opvang zoeken voor de kinderen en dóór op die “corporate ladder”.
De werkelijkheid was anders, heel anders. Ik had nog geen rekening gehouden met de verliefdheid die ik voelde voor mijn pasgeboren, hulpeloze baby. Ik wist nog niet dat het krijgen van een kind niet een korte onderbreking is van die o zo belangrijke carrière, maar een emotionele aardverschuiving. Dat het onvoorstelbaar moeilijk is om je kind achter te laten bij iemand anders. En dat, zelfs al heb je de beste kinderopvang denkbaar, het moederschap niet ophoudt buiten de kantoortijden, maar altijd doorgaat. Dat het moeilijk is voor moeders om hun carrière te vervolgen op dezelfde manier als voorheen, simpelweg door een gebrek aan tijd. Dat dezelfde fulltime werkende moeders, die ik zo bewonderde, een enorme prijs betalen voor hun carrière. Dat ze vaak direct zouden kiezen voor parttime werken, als hen die mogelijkheid zou worden geboden. Omdat ze het grootste deel van de ontwikkeling van hun kinderen moeten missen.
De zogenaamde powerfeministen, zoals Heleen Mees, pleiten precies voor datgene wat ik destijds propageerde. Ik volg de redenering dus, want ik dacht er vroeger ook zo over.
Toch is het als Nederlandse moeder (okay, ik woon in New York, maar ik blijf een Nederlandse moeder) beledigend om aan te horen hoe wij zitten te niksen, schaapachtig zijn, een echte carrière zouden moeten nastreven etc. Terwijl voor mij het moederschap de meest uitdagende “baan” is tot nu toe en zoveel meer gecompliceerd dan een “gewone baan” op een kantoor. Thuisblijfmoeders en parttime werkende moeders blijven naar hun hoofd geslingerd krijgen dat ze “niets doen” en zich wel enorm moeten “vervelen”. Nou, vervelen doen al die moeders zich niet, geloof me. De taken van een moeder zijn ontelbaar en gaan altijd door. En daarbij komt: ze zijn van onschatbaar belang.
Fleur Jurgens breekt een lans voor deze thuisblijfmoeders en alle andere moeders met parttime banen, in haar nieuwste boek Leve de burgertrut. De burgertrut moet in ere worden hersteld als hoedster van de moraal, die het vuil van de boze buitenwereld letterlijk en figuurlijk buiten de deur houdt. Haar kinderen brengt zij normen en waarden bij door rust, reinheid en regelmaat in het huishouden te brengen. Haar echtgenoot moet weer het respect krijgen dat hij verdient als kostwinner voor het gezin. Het gezin terug als hoeksteen van de samenleving. Jurgens schrijft:
“Het is tijd het alledaagse, het onopvallende, het vanzelfsprekende, het onbaatzuchtige, het opofferingsgezinde weer op waarde te schatten. Het is tijd voor een herwaardering van oude huiselijke waarden. Het is tijd voor een rehabilitatie van het gezin, dat dankzij haar ongeëvenaarde kracht alle aanslagen heeft overleefd. Daarom dit pamflet: Leve de burgertrut!”
Een logische reactie op al die kritiek op moeders van powerfeministen, maar ook van de overheid. Er zou eens wat meer waardering moeten komen voor wat moeders allemaal betekenen voor hun kinderen, hun echtgenoten, maar ook voor de samenleving.
Toch zie ik aan de andere kant in al die thuisblijfmoeders en parttime werkende moeders in mijn omgeving niet allemaal blije burgertrutten, die met veel plezier en liefde hun carrière hebben opgegeven. De gevoelens zijn gemengd. Aan de ene kant is er de vastberadenheid om er te zijn voor onze kinderen. Aan de andere kant is er ook een bepaalde desillusie. Tijdens school, studie en in de eerste serieuze banen gaan we (want ik heb het hier over mijn generatie hoog opgeleide vrouwen) gelijk op met de mannen en in onze relaties is sprake van gelijkwaardigheid. Toen we nog geen kinderen hadden, konden we ons niet voorstellen dat dit anders zou worden na de bevalling. We zouden een team zijn en de opvoeding van de kinderen samen op ons nemen. Maar dat wordt toch allemaal net iets anders op het moment dat er kinderen komen. Degene met het hoogste inkomen (bijna altijd: de man) blijft meestal fulltime werken en de vraag wie de zorg en opvoeding voor de kinderen gaat combineren met haar baan wordt een levensgroot dilemma in het leven van de moeder en niet van de vader.
In het boek van Ann Crittenden The Price of Motherhood (uitgegeven in 2001) las ik vandaag over een historisch debat in New York. In 1909 organiseerden twee vrouwenorganisaties een debat tussen Charlotte Perkins Gilman en Anna Shaw, twee prominente feministes uit deze tijd. Het onderwerp van het debat was de economische waarde van vrouwelijke huishoudelijke taken, inclusief de opvoeding van kinderen.
Gilman nam het standpunt in dat de grote meerderheid van de Amerikaanse middenklasse vrouwen onproductieve parasieten waren. Gilman:
“An “unpaid wife” is a domestic servant in the extremely wasteful and expensive class of one servant to one man”.
Werk voor het gezin zou nooit dezelfde waardering krijgen als werk buitenshuis:
“There is no equality in class between those who do their share in the world’s work in the largest, newest, highest ways and those who do theirs in the smallest, oldest, lowest ways”, aldus Gilman.
Gilman wilde gezinnen afschaffen en mensen in appartementen laten wonen waar door professionele staf gezorgd zou worden voor eten, schoonmaken, de was en de zorg voor kinderen. (een beetje zoals de huishoudens in het hedendaagse New York met fulltime housekeepers en nanny’s?) Gilman had duidelijk een afkeer van het gezinsleven en gooide de zorg voor kinderen op één hoop met alle andere huishoudelijke taken.
Shaw vond dat er wel degelijk verschil was tussen een “domestic servant” en een huisvrouw. Een huisvrouw creëert een thuis voor haar kinderen, terwijl een “domestic servant” slechts het huis onderhoudt. Shaw stelt dat huisvrouwen:
“put something economically valuable into (the husband’s income) which has increased, if not its incoming power, at least its outgoing power.”
Daarvoor, concludeerde zij, zouden huisvrouwen en moeders gecompenseerd moeten worden met een eigen inkomen dat proportioneel zou moeten zijn aan de positie die het gezin als geheel innam in de samenleving.
Het vrouwelijke publiek had er geen moeite mee om te bepalen met wie ze het eens waren: de meerderheid was het volledig eens met Shaw. Toch zijn het de ideeën van Gilman die de meeste navolging kregen binnen het feminisme.
“Shaw won the debate but lost the battle”, concludeert Crittenden:
“As that evening in New York illustrated, at the turn of the twentieth century, the women’s movement contained two contradictory strands: one that denigrated women’s role within the family, and one that demanded recognition and remuneration for it. The first argued that only one road could lead to female emancipation, and it pointed straight out of the house toward the world of paid work. The second sought equality for women within the family as well and challenged the idea that a wife and mother was inevitably an economic “dependent” of her husband.
For the rest of the twentieth century, the women’s movement followed the first path, and it lead to innumerable great victories. But in choosing that path, many women’s advocates accepted the continued devaluation of motherhood, thereby guaranteeing that feminism would not resonate with millions of wives and mothers”
Wat klinkt het debat van 1909 mij bekend in de oren. Op dit moment wordt in Nederland precies dezelfde discussie gevoerd. Gelijkheid tussen man en vrouw lijkt te zijn bereikt. De kink komt pas in de kabel als vrouwen moeder worden. Dan lopen de verhoudingen scheef en de moeders betalen de prijs. Economisch, bedoel ik dan.
Werk van moeders wordt nog steeds economisch niet gewaardeerd en moeders lopen dan ook economische risico’s als zij afhankelijk worden van hun echtgenoten. Daar heeft Jurgens het niet over. Als de echtgenoot van de burgertrut wegloopt, dan zit ze met de gebakken peren en moet ze alsnog aan de betaalde arbeid. (Of liep hij weg omdat zijn vrouw op hem zat te vitten en hem niet voldoende waardeerde voor het op zich nemen van zijn traditionele mannentaken? Dit lijkt wel te worden gesuggereerd met Jurgens’ kritiek op vrouwen die de arme mannen maar niet hun welverdiende rust gunnen)
Volgens Crittenden is het verhogen van de status van moeders door het meer waarderen van hun werk in het gezin “the great unfinished business of the women’s movement”.
Dat is niet eenvoudig en er zijn een hoop valkuilen. Zo moeten we ervoor waken dat, als de opvoeding van kinderen meer wordt gewaardeerd, vrouwen niet weer in een ondergeschikte positie terecht komen. De winst van vrouwen op de werkplek zou wel eens in gevaar kunnen komen. Ook moeten we ons serieus afvragen of de grote nadruk op het immense belang van een goede opvoeding van kinderen ook kan gaan werken als een excuus voor het verlies van een carrière voor moeders.
Het debat in New York uit 1909 is opvallend actueel. Nog steeds is er geen definitief antwoord op de fundamentele vragen over de waardering van het werk van moeders. Het zou zinvol zijn als de discussie in Nederland eens zou gaan over een nadere invulling van deze “great unfinished business”.
Ik verkondigde dan ook aan iedereen hoe vrouwen hier zoveel meer geëmancipeerd waren. In Nederland ergerde ik me eraan dat al die hoogopgeleide vrouwen hun carrière aan de wilgen hingen na het krijgen van kinderen door te gaan werken in kleine, parttime baantjes. Niet nodig, dacht ik. Wat zaten die vrouwen de hele dag te doen? Soaps te kijken? Zonde: wat een kapitaalvernietiging. Heb je eerst al die jaren besteed aan een goede opleiding en werkervaring. Komt puntje bij paaltje, stap je uit de race. Gewoon een schoonmaakster nemen, goede opvang zoeken voor de kinderen en dóór op die “corporate ladder”.
De werkelijkheid was anders, heel anders. Ik had nog geen rekening gehouden met de verliefdheid die ik voelde voor mijn pasgeboren, hulpeloze baby. Ik wist nog niet dat het krijgen van een kind niet een korte onderbreking is van die o zo belangrijke carrière, maar een emotionele aardverschuiving. Dat het onvoorstelbaar moeilijk is om je kind achter te laten bij iemand anders. En dat, zelfs al heb je de beste kinderopvang denkbaar, het moederschap niet ophoudt buiten de kantoortijden, maar altijd doorgaat. Dat het moeilijk is voor moeders om hun carrière te vervolgen op dezelfde manier als voorheen, simpelweg door een gebrek aan tijd. Dat dezelfde fulltime werkende moeders, die ik zo bewonderde, een enorme prijs betalen voor hun carrière. Dat ze vaak direct zouden kiezen voor parttime werken, als hen die mogelijkheid zou worden geboden. Omdat ze het grootste deel van de ontwikkeling van hun kinderen moeten missen.
De zogenaamde powerfeministen, zoals Heleen Mees, pleiten precies voor datgene wat ik destijds propageerde. Ik volg de redenering dus, want ik dacht er vroeger ook zo over.
Toch is het als Nederlandse moeder (okay, ik woon in New York, maar ik blijf een Nederlandse moeder) beledigend om aan te horen hoe wij zitten te niksen, schaapachtig zijn, een echte carrière zouden moeten nastreven etc. Terwijl voor mij het moederschap de meest uitdagende “baan” is tot nu toe en zoveel meer gecompliceerd dan een “gewone baan” op een kantoor. Thuisblijfmoeders en parttime werkende moeders blijven naar hun hoofd geslingerd krijgen dat ze “niets doen” en zich wel enorm moeten “vervelen”. Nou, vervelen doen al die moeders zich niet, geloof me. De taken van een moeder zijn ontelbaar en gaan altijd door. En daarbij komt: ze zijn van onschatbaar belang.
Fleur Jurgens breekt een lans voor deze thuisblijfmoeders en alle andere moeders met parttime banen, in haar nieuwste boek Leve de burgertrut. De burgertrut moet in ere worden hersteld als hoedster van de moraal, die het vuil van de boze buitenwereld letterlijk en figuurlijk buiten de deur houdt. Haar kinderen brengt zij normen en waarden bij door rust, reinheid en regelmaat in het huishouden te brengen. Haar echtgenoot moet weer het respect krijgen dat hij verdient als kostwinner voor het gezin. Het gezin terug als hoeksteen van de samenleving. Jurgens schrijft:
“Het is tijd het alledaagse, het onopvallende, het vanzelfsprekende, het onbaatzuchtige, het opofferingsgezinde weer op waarde te schatten. Het is tijd voor een herwaardering van oude huiselijke waarden. Het is tijd voor een rehabilitatie van het gezin, dat dankzij haar ongeëvenaarde kracht alle aanslagen heeft overleefd. Daarom dit pamflet: Leve de burgertrut!”
Een logische reactie op al die kritiek op moeders van powerfeministen, maar ook van de overheid. Er zou eens wat meer waardering moeten komen voor wat moeders allemaal betekenen voor hun kinderen, hun echtgenoten, maar ook voor de samenleving.
Toch zie ik aan de andere kant in al die thuisblijfmoeders en parttime werkende moeders in mijn omgeving niet allemaal blije burgertrutten, die met veel plezier en liefde hun carrière hebben opgegeven. De gevoelens zijn gemengd. Aan de ene kant is er de vastberadenheid om er te zijn voor onze kinderen. Aan de andere kant is er ook een bepaalde desillusie. Tijdens school, studie en in de eerste serieuze banen gaan we (want ik heb het hier over mijn generatie hoog opgeleide vrouwen) gelijk op met de mannen en in onze relaties is sprake van gelijkwaardigheid. Toen we nog geen kinderen hadden, konden we ons niet voorstellen dat dit anders zou worden na de bevalling. We zouden een team zijn en de opvoeding van de kinderen samen op ons nemen. Maar dat wordt toch allemaal net iets anders op het moment dat er kinderen komen. Degene met het hoogste inkomen (bijna altijd: de man) blijft meestal fulltime werken en de vraag wie de zorg en opvoeding voor de kinderen gaat combineren met haar baan wordt een levensgroot dilemma in het leven van de moeder en niet van de vader.
In het boek van Ann Crittenden The Price of Motherhood (uitgegeven in 2001) las ik vandaag over een historisch debat in New York. In 1909 organiseerden twee vrouwenorganisaties een debat tussen Charlotte Perkins Gilman en Anna Shaw, twee prominente feministes uit deze tijd. Het onderwerp van het debat was de economische waarde van vrouwelijke huishoudelijke taken, inclusief de opvoeding van kinderen.
Gilman nam het standpunt in dat de grote meerderheid van de Amerikaanse middenklasse vrouwen onproductieve parasieten waren. Gilman:
“An “unpaid wife” is a domestic servant in the extremely wasteful and expensive class of one servant to one man”.
Werk voor het gezin zou nooit dezelfde waardering krijgen als werk buitenshuis:
“There is no equality in class between those who do their share in the world’s work in the largest, newest, highest ways and those who do theirs in the smallest, oldest, lowest ways”, aldus Gilman.
Gilman wilde gezinnen afschaffen en mensen in appartementen laten wonen waar door professionele staf gezorgd zou worden voor eten, schoonmaken, de was en de zorg voor kinderen. (een beetje zoals de huishoudens in het hedendaagse New York met fulltime housekeepers en nanny’s?) Gilman had duidelijk een afkeer van het gezinsleven en gooide de zorg voor kinderen op één hoop met alle andere huishoudelijke taken.
Shaw vond dat er wel degelijk verschil was tussen een “domestic servant” en een huisvrouw. Een huisvrouw creëert een thuis voor haar kinderen, terwijl een “domestic servant” slechts het huis onderhoudt. Shaw stelt dat huisvrouwen:
“put something economically valuable into (the husband’s income) which has increased, if not its incoming power, at least its outgoing power.”
Daarvoor, concludeerde zij, zouden huisvrouwen en moeders gecompenseerd moeten worden met een eigen inkomen dat proportioneel zou moeten zijn aan de positie die het gezin als geheel innam in de samenleving.
Het vrouwelijke publiek had er geen moeite mee om te bepalen met wie ze het eens waren: de meerderheid was het volledig eens met Shaw. Toch zijn het de ideeën van Gilman die de meeste navolging kregen binnen het feminisme.
“Shaw won the debate but lost the battle”, concludeert Crittenden:
“As that evening in New York illustrated, at the turn of the twentieth century, the women’s movement contained two contradictory strands: one that denigrated women’s role within the family, and one that demanded recognition and remuneration for it. The first argued that only one road could lead to female emancipation, and it pointed straight out of the house toward the world of paid work. The second sought equality for women within the family as well and challenged the idea that a wife and mother was inevitably an economic “dependent” of her husband.
For the rest of the twentieth century, the women’s movement followed the first path, and it lead to innumerable great victories. But in choosing that path, many women’s advocates accepted the continued devaluation of motherhood, thereby guaranteeing that feminism would not resonate with millions of wives and mothers”
Wat klinkt het debat van 1909 mij bekend in de oren. Op dit moment wordt in Nederland precies dezelfde discussie gevoerd. Gelijkheid tussen man en vrouw lijkt te zijn bereikt. De kink komt pas in de kabel als vrouwen moeder worden. Dan lopen de verhoudingen scheef en de moeders betalen de prijs. Economisch, bedoel ik dan.
Werk van moeders wordt nog steeds economisch niet gewaardeerd en moeders lopen dan ook economische risico’s als zij afhankelijk worden van hun echtgenoten. Daar heeft Jurgens het niet over. Als de echtgenoot van de burgertrut wegloopt, dan zit ze met de gebakken peren en moet ze alsnog aan de betaalde arbeid. (Of liep hij weg omdat zijn vrouw op hem zat te vitten en hem niet voldoende waardeerde voor het op zich nemen van zijn traditionele mannentaken? Dit lijkt wel te worden gesuggereerd met Jurgens’ kritiek op vrouwen die de arme mannen maar niet hun welverdiende rust gunnen)
Volgens Crittenden is het verhogen van de status van moeders door het meer waarderen van hun werk in het gezin “the great unfinished business of the women’s movement”.
Dat is niet eenvoudig en er zijn een hoop valkuilen. Zo moeten we ervoor waken dat, als de opvoeding van kinderen meer wordt gewaardeerd, vrouwen niet weer in een ondergeschikte positie terecht komen. De winst van vrouwen op de werkplek zou wel eens in gevaar kunnen komen. Ook moeten we ons serieus afvragen of de grote nadruk op het immense belang van een goede opvoeding van kinderen ook kan gaan werken als een excuus voor het verlies van een carrière voor moeders.
Het debat in New York uit 1909 is opvallend actueel. Nog steeds is er geen definitief antwoord op de fundamentele vragen over de waardering van het werk van moeders. Het zou zinvol zijn als de discussie in Nederland eens zou gaan over een nadere invulling van deze “great unfinished business”.
Abonneren op:
Posts (Atom)